Zaak C‑477/09
Charles Defossez
tegen
Christian Wiart, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van Sotimon SARL e.a.
[verzoek van de Cour de cassation (Frankrijk) om een prejudiciële beslissing]
„Prejudiciële verwijzing – Richtlijnen 80/987/EEG en 2002/74/EG – Insolventie van werkgever – Bescherming van werknemers – Honorering van onvervulde aanspraken van werknemers – Vaststelling van bevoegd waarborgfonds – Gunstiger waarborg krachtens nationaal recht – Mogelijkheid om daar beroep op te doen”
Samenvatting van het arrest
Sociale politiek – Harmonisatie van wetgevingen – Bescherming van werknemers bij insolventie van werkgever – Richtlijn 80/987 – Honorering van aanspraken van werknemer die in andere lidstaat dan lidstaat van vestiging van werkgever werkzaam was – Bevoegd waarborgfonds
(Richtlijn 80/987 van de Raad, art. 3)
Artikel 3 van richtlijn 80/987 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever, in de versie van deze richtlijn die van vóór de wijziging bij richtlijn 2002/74 dateert, moet aldus worden uitgelegd dat voor de honorering van de onvervulde aanspraken van een werknemer die zijn arbeid gewoonlijk heeft verricht in een andere lidstaat dan die waar zijn vóór 8 oktober 2005 insolvent verklaarde werkgever zijn zetel heeft, de in dit artikel bepaalde verplichtingen, wanneer die werkgever niet in die andere lidstaat gevestigd is en zijn verplichting om in de financiering van het waarborgfonds bij te dragen vervult in de lidstaat waar hij zijn zetel heeft, rusten op dat fonds.
Richtlijn 80/987 verzet zich er overigens niet tegen dat een nationale wettelijke regeling bepaalt dat een werknemer overeenkomstig het recht van die lidstaat een beroep kan doen op de loonwaarborg van het nationale fonds, als aanvulling op of ter vervanging van de waarborg die wordt geboden door het fonds dat ingevolge deze richtlijn bevoegd is, op voorwaarde echter dat die waarborg de werknemer een betere bescherming biedt.
(cf. punt 34 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
10 maart 2011 (*)
„Prejudiciële verwijzing – Richtlijnen 80/987/EEG en 2002/74/EG – Insolventie van werkgever – Bescherming van werknemers – Honorering van onvervulde aanspraken van werknemers – Vaststelling van bevoegd waarborgfonds – Gunstiger waarborg krachtens nationaal recht – Mogelijkheid om daar beroep op te doen”
In zaak C‑477/09,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Cour de cassation (Frankrijk) bij beslissing van 18 november 2009, ingekomen bij het Hof op 25 november 2009, in de procedure
Charles Defossez
tegen
Christian Wiart, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Sotimon SARL,
Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening – Fonds sluiting ondernemingen,
Centre de gestion et d’études de l’Association pour la gestion du régime de garantie des créances des salariés de Lille (CGEA),
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, R. Silva de Lapuerta, E. Juhász (rapporteur), G. Arestis en J. Malenovský, rechters,
advocaat-generaal: P. Mengozzi,
griffier: C. Strömholm, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 7 oktober 2010,
gelet op de opmerkingen van:
– C. Defossez, vertegenwoordigd door C. Uzan-Sarano, avocat,
– CGEA de Lille, vertegenwoordigd door E. Piwnica en J. Molinié, avocats,
– de Franse regering, vertegenwoordigd door G. de Bergues en A. Czubinski als gemachtigden,
– de Deense regering, vertegenwoordigd door V. Pasternak Jørgensen en C. Vang als gemachtigden,
– Ierland, vertegenwoordigd door D. O’Hagan als gemachtigde, bijgestaan door B. Doherty, BL,
– de Spaanse regering, vertegenwoordigd door F. Díez Moreno als gemachtigde,
– de Finse regering, vertegenwoordigd door M. Pere als gemachtigde,
– de Zweedse regering, vertegenwoordigd door A. Engman als gemachtigde,
– de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door S. Hathaway als gemachtigde, bijgestaan door D. J. Rhee, barrister,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Rozet en J. Enegren als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 17 november 2010,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 8 bis en 9 van richtlijn 80/987/EEG van de Raad van 20 oktober 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever (PB L 283, blz. 23), zoals gewijzigd bij richtlijn 2002/74/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 (PB L 270, blz. 10).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds C. Defossez en anderzijds C. Wiart, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Sotimon SARL (hierna: „Sotimon”) – de onderneming waarbij Defossez werkzaam was voordat hij op onregelmatige wijze werd ontslagen –, de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening – Fonds sluiting ondernemingen (hierna: „Belgisch FSO”) en het Centre de gestion et d’études de l’Association pour la gestion du régime de garantie des créances des salariés de Lille (CGEA) (hierna: „CGEA te Lille”), over onvervulde loonaanspraken die Defossez door de insolventie van zijn werkgever heeft.
Rechtskader
3 Volgens artikel 1, lid 1, van richtlijn 80/987 is deze „van toepassing op uit arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voortvloeiende aanspraken van werknemers tegenover werkgevers die in staat van insolventie in de zin van artikel 2, lid 1, verkeren”.
4 Artikel 2, lid 1, van deze richtlijn luidt:
„In de zin van deze richtlijn wordt een werkgever geacht in staat van insolventie te verkeren:
a) wanneer is verzocht om inleiding van een in de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de betrokken lidstaat neergelegde procedure die betrekking heeft op het vermogen van de werkgever ter gezamenlijke voldoening van diens schuldeisers en waarbij de in artikel 1, lid 1, bedoelde aanspraken in aanmerking kunnen worden genomen en
b) wanneer de autoriteit die uit hoofde van de genoemde wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen bevoegd is
– hetzij besloten heeft tot inleiding van de procedure,
– hetzij geconstateerd heeft dat de onderneming of de vestiging van de werkgever definitief is gesloten, en dat er gebrek aan voldoende activa is om inleiding van de procedure te rechtvaardigen.”
5 Artikel 3 van richtlijn 80/987 bepaalt dat de lidstaten de nodige maatregelen moeten nemen opdat waarborgfondsen de onvervulde aanspraken van de werknemers honoreren die voortvloeien uit arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen en die betrekking hebben op het loon over de vóór een bepaalde datum vallende periode.
6 Artikel 5 van deze richtlijn luidt als volgt:
„De lidstaten stellen de nadere regels vast voor de organisatie, de financiering en de werking van de waarborgfondsen en nemen daarbij met name de volgende beginselen in acht:
a) het vermogen van de fondsen moet gescheiden zijn van het bedrijfskapitaal van de werkgevers en dient zodanig te zijn gevormd dat het niet vatbaar is voor beslag bij een procedure wegens insolventie;
b) de werkgevers moeten in de financiering bijdragen, tenzij de overheid voor de volledige financiering zorgt;
c) de verplichting om aanspraken te honoreren rust op het fonds, ongeacht of de verplichtingen om bij te dragen tot de financiering werden nagekomen.”
7 Volgens artikel 9 van richtlijn 80/987 doet deze richtlijn geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten om wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen toe te passen of in te voeren die gunstiger zijn voor de werknemers.
8 In punt 7 van de considerans van richtlijn 2002/74 staat dat om de rechtszekerheid van de werknemers bij insolventie van ondernemingen met activiteiten in verscheidene lidstaten te waarborgen en de rechten van de werknemers te versterken in de zin van de rechtspraak van het Hof, een bepaling moet worden ingevoerd waarin uitdrukkelijk wordt vastgesteld welk fonds in deze gevallen bevoegd is ter zake van de honorering van de loonaanspraken, en die als doel van de samenwerking tussen de bevoegde overheidsdiensten van de lidstaten bepaalt dat de onvervulde aanspraken van de werknemers zo spoedig mogelijk gehonoreerd moeten worden. Bovendien moet voor de nodige samenwerking tussen de bevoegde overheidsdiensten van de lidstaten worden gezorgd, opdat de desbetreffende bepalingen juist worden toegepast.
9 Bij artikel 1, lid 4, van richtlijn 2002/74 zijn bepalingen betreffende transnationale situaties en met name artikel 8 bis ingevoegd in richtlijn 80/987. Het eerste lid van dat artikel bepaalt dat wanneer een onderneming met activiteiten op het grondgebied van ten minste twee lidstaten in staat van insolventie verkeert, het waarborgfonds dat bevoegd is om de onvervulde aanspraken van de werknemers te honoreren, het fonds is van de lidstaat op het grondgebied waarvan de werknemers gewoonlijk hun arbeid verrichten of verrichtten.
10 Artikel 2, lid 1, van richtlijn 2002/74 schrijft voor dat de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om uiterlijk op 8 oktober 2005 aan deze richtlijn te voldoen en dat zij die bepalingen toepassen op iedere staat van insolventie van een werkgever die na de datum van inwerkingtreding van die bepalingen intreedt.
Feiten in het hoofdgeding en prejudiciële vraag
11 Defossez heeft in België als voorman en vervolgens als ploegbaas gewerkt op een bouwterrein, in eerste instantie, vanaf maart 1997, voor EBM SA en vervolgens, vanaf september 2000, voor Sotimon. Beide vennootschappen hebben hun maatschappelijke zetel in Frankrijk.
12 In december 2003 is Defossez ontslagen. Op 15 januari 2004 stelde hij een vordering in bij de Conseil de prud’hommes de Dunkerque.
13 Bij vonnis van het Tribunal de commerce de Dunkerque van 1 juni 2004 is Sotimon failliet verklaard. Om betaling van zijn loonaanspraken te krijgen, sprak Defossez primair het CGEA te Lille aan, en subsidiair het Belgisch FSO.
14 Bij vonnis van 30 juni 2006 verklaarde de Conseil de prud’hommes de Dunkerque dat er geen wezenlijke en ernstige reden was om Defossez te ontslaan. Hij stelde bijgevolg de aanspraken van Defossez vast en verklaarde dat het vonnis kon worden tegengeworpen aan het CGEA te Lille.
15 Bij arrest van 31 januari 2008 schreef de Cour d’appel de Douai de aanspraken van Defossez in aan de passiefzijde van het faillissement van Sotimon, verklaarde dat het arrest kon worden tegengeworpen aan het Belgisch FSO en stelde het CGEA te Lille buiten het geding.
16 Defossez heeft tegen dat arrest cassatieberoep ingesteld. Daarbij heeft hij de Cour d’appel de Douai verweten dat zij zijn waarborgvordering tegen het CGEA te Lille had afgewezen op grond van artikel 8 bis van richtlijn 80/987 zoals gewijzigd, en de waarborg van het Belgisch FSO had gekozen.
17 Daarop heeft de Cour de cassation de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Moet artikel 8 bis van richtlijn [80/987], zoals gewijzigd bij richtlijn [2002/74], waarvan het eerste lid bepaalt dat wanneer een onderneming met activiteiten op het grondgebied van ten minste twee lidstaten in staat van insolventie verkeert, het waarborgfonds dat bevoegd is om de onvervulde aanspraken van de werknemers te honoreren, het fonds van de lidstaat is op het grondgebied waarvan de werknemers gewoonlijk hun arbeid verrichten of verrichtten, en het tweede lid bepaalt dat de omvang van de rechten van de werknemers wordt bepaald door het recht waaronder het bevoegde waarborgfonds valt, aldus worden uitgelegd dat het het waarborgfonds aanwijst dat met uitsluiting van ieder ander bevoegd is, of moet het, gelet op de doelstelling van de richtlijn, namelijk het versterken van de rechten van de werknemers die gebruik maken van het vrij verkeer van werknemers, en gelet op artikel 9, lid 1, van deze richtlijn, bepalende dat de richtlijn geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van de lidstaten om wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen toe te passen of in te voeren die gunstiger zijn voor de werknemers, aldus worden uitgelegd dat het de werknemer niet het recht ontzegt om, in de plaats van de waarborg van dit fonds, een beroep te doen op de gunstiger waarborg van het fonds waarbij zijn werkgever overeenkomstig het nationale recht is verzekerd en waaraan hij premies afdraagt?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
18 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat artikel 2, lid 1, van richtlijn 2002/74 voorschrijft dat de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om uiterlijk op 8 oktober 2005 aan deze richtlijn te voldoen en dat zij die bepalingen toepassen op iedere staat van insolventie van een werkgever die na de datum van inwerkingtreding van die bepalingen intreedt.
19 In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat wanneer richtlijn 2002/74 niet is omgezet, zij slechts rechtstreekse werking heeft voor insolventies die na 8 oktober 2005 zijn ingetreden (arrest van 17 januari 2008, Velasco Navarro, C‑246/06, Jurispr. blz. I‑105, punten 27‑29).
20 Het Hof heeft vastgesteld dat de Franse Republiek de krachtens richtlijn 2002/74 op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen doordat zij aan het eind van de gestelde termijn niet de maatregelen had vastgesteld die nodig waren om de bepalingen van deze richtlijn in Frans recht om te zetten (arrest van 27 september 2007, Commissie/Frankrijk, C‑9/07, punt 12).
21 Aangezien Sotimon op 1 juni 2004 bij vonnis van het Tribunal de commerce de Dunkerque failliet is verklaard, kan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde insolventie niet vallen onder de bepalingen van richtlijn 2002/74.
22 De in omstandigheden als die van het hoofdgeding toe te passen bepalingen juist vaststellen, is des te belangrijker daar het Hof in de punten 20 en 25 tot en met 28 van het arrest van 16 oktober 2008, Holmqvist (C‑310/07, Jurispr. blz. I‑7871), heeft vastgesteld dat artikel 8 bis, dat bij richtlijn 2002/74 in richtlijn 80/987 is ingevoegd, een nieuw criterium bepaalt voor de aanwijzing van het bevoegde waarborgfonds. Bijgevolg vormt dit artikel een materiële wijziging van de bepalingen van richtlijn 80/987. De juridische beoordeling van een situatie als die in het hoofdgeding op basis van de bepalingen van richtlijn 80/987 in de oorspronkelijke versie ervan, heeft dus niet noodzakelijkerwijs dezelfde uitkomst als de juridische beoordeling op basis van de bepalingen van deze richtlijn zoals gewijzigd bij richtlijn 2002/74.
23 Voor de beantwoording van de vraag van de verwijzende rechter dienen dan ook de bepalingen van richtlijn 80/987, in de versie van vóór de wijzigingen bij richtlijn 2002/74, te worden uitgelegd met het oog op de beslechting van het hoofdgeding.
24 In dit verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat ook al bevat richtlijn 80/987 geen bepalingen die uitdrukkelijk het geval regelen van aanspraken van werknemers die hebben gewerkt in een andere lidstaat dan die waar hun werkgever is gevestigd, zij toch voor dergelijke aanspraken geldt en dat dus moet worden vastgesteld welk waarborgfonds volgens deze richtlijn voor de honorering van die aanspraken bevoegd is (zie in die zin arrest van 17 september 1997, Mosbæk, C‑117/96, Jurispr. blz. I-5017, punten 16 en 19).
25 Met betrekking tot een dergelijke situatie heeft het Hof geoordeeld dat het ingevolge artikel 3 van richtlijn 80/987 bevoegde waarborgfonds het fonds van de staat is waar overeenkomstig artikel 2, lid 1, van deze richtlijn tot inleiding van de procedure ter gezamenlijke voldoening is besloten dan wel de sluiting van de onderneming van de werkgever is geconstateerd (zie arrest Mosbæk, reeds aangehaald, punten 20 en 27).
26 Het Hof heeft overigens geoordeeld dat het strookt met de opzet van richtlijn 80/987 dat dit bevoegde waarborgfonds, behoudens wanneer de overheid voor de volledige financiering zorgt, het fonds is dat de bijdragen van de insolvente werkgever heeft geïnd of althans had moeten innen (zie in die zin arrest Mosbæk, reeds aangehaald, punten 24 en 25).
27 Bovendien heeft het Hof in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van 16 december 1999, Everson en Barrass (C‑198/98, Jurispr. blz. I‑8903) – waarnaar de verwijzende rechter in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing verwijst –, waarin, anders dan in de situatie in de voormelde zaak Mosbæk, de insolvente werkgever een vestiging, te weten een bijkantoor, had in de lidstaat waar de werknemers hun arbeid verrichtten, geoordeeld dat het fonds dat de onvervulde aanspraken moet honoreren, het fonds van de lidstaat is waar dit bijkantoor is gevestigd (arrest Everson en Barrass, reeds aangehaald, punt 23). Overigens was dit bevoegde waarborgfonds het fonds van de lidstaat waar zowel de werkgevers als de werknemers socialezekerheidsbijdragen betaalden.
28 In verband met die elementen preciseert de verwijzende rechter dat de onderneming waarbij Defossez werkzaam was, in Frankrijk gevestigd was. Bovendien blijkt uit het dossier dat de bijdragen die de eventuele loonaanspraken kunnen dekken, in diezelfde lidstaat zijn betaald en dat de werkgever geen duurzame vestiging in België had.
29 In die omstandigheden moet worden opgemerkt dat de relevante elementen in het hoofdgeding niet overeenstemmen met die van de zaak die tot voormeld arrest Everson en Barrass aanleiding heeft gegeven. De relevante elementen van het hoofdgeding stemmen daarentegen wel overeen met die van de situatie in voormeld arrest Mosbæk.
30 Wanneer een onderneming waarbij een werknemer werkzaam is, geen vestiging heeft in de lidstaat waar deze werknemer zijn arbeid verricht, en deze onderneming als werkgever sociale bijdragen betaalt in de lidstaat waar zij haar zetel heeft, is het waarborgfonds dat ingevolge artikel 3 van richtlijn 80/987 bevoegd is om de aanspraken van de werknemer die zijn ontstaan uit de insolventie van zijn werkgever, te honoreren, dan ook het fonds van de lidstaat waar de werkgever failliet is verklaard.
31 Voorts biedt richtlijn 80/987 de werknemer weliswaar niet de mogelijkheid om tussen verschillende fondsen te kiezen, maar deze richtlijn sluit niet uit dat de werknemer op de waarborg van een ander fonds dan het fonds dat op basis van deze richtlijn is aangewezen, een beroep kan doen wanneer dat voor hem gunstig is en het nationale recht daarin voorziet.
32 In feite beoogt richtlijn 80/987 de werknemers een minimumbescherming op het niveau van de Europese Unie te waarborgen bij insolventie van de werkgever (zie met name arresten van 19 november 1991, Francovich e.a., C‑6/90 en C‑9/90, Jurispr. blz. I‑5357, punt 3, en 16 juli 2009, Visciano, C‑69/08, Jurispr. blz. I‑6741, punt 27), onverminderd, overeenkomstig artikel 9 ervan, gunstiger bepalingen die de lidstaten kunnen toepassen of invoeren (zie in die zin arresten van 15 mei 2003, Mau, C‑160/01, Jurispr. blz. I‑4791, punt 32, en 25 januari 2007, Robins e.a., C‑278/05, Jurispr. blz. I‑1053, punt 40).
33 Zo verzet richtlijn 80/987 zich er niet tegen dat de wetgeving van een lidstaat bepaalt dat een werknemer overeenkomstig het recht van die lidstaat een beroep kan doen op de loonwaarborg van het nationale fonds, als aanvulling op of ter vervanging van de waarborg die wordt geboden door het fonds dat ingevolge deze richtlijn bevoegd is, op voorwaarde echter dat die waarborg de werknemer een betere bescherming biedt.
34 Gelet op het voorgaande dient de gestelde vraag als volgt te worden beantwoord:
– Artikel 3 van richtlijn 80/987, in de versie van deze richtlijn die van vóór de wijziging bij richtlijn 2002/74 dateert, moet aldus worden uitgelegd dat voor de honorering van de onvervulde aanspraken van een werknemer die zijn arbeid gewoonlijk heeft verricht in een andere lidstaat dan die waar zijn werkgever, die vóór 8 oktober 2005 insolvent is verklaard, zijn zetel heeft, de in dit artikel bepaalde verplichtingen, wanneer die werkgever niet in die andere lidstaat gevestigd is en zijn verplichting om in de financiering van het waarborgfonds bij te dragen vervult in de lidstaat waar hij zijn zetel heeft, rusten op dat fonds.
– Richtlijn 80/987 verzet zich er niet tegen dat een nationale wettelijke regeling bepaalt dat een werknemer overeenkomstig het recht van die lidstaat een beroep kan doen op de loonwaarborg van het nationale fonds, als aanvulling op of ter vervanging van de waarborg die wordt geboden door het fonds dat ingevolge deze richtlijn bevoegd is, op voorwaarde echter dat die waarborg de werknemer een betere bescherming biedt.
Kosten
35 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 3 van richtlijn 80/987/EEG van de Raad van 20 oktober 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever, in de versie van deze richtlijn die van vóór de wijziging bij richtlijn 2002/74/EG dateert, moet aldus worden uitgelegd dat voor de honorering van de onvervulde aanspraken van een werknemer die zijn arbeid gewoonlijk heeft verricht in een andere lidstaat dan die waar zijn werkgever, die vóór 8 oktober 2005 insolvent is verklaard, zijn zetel heeft, de in dit artikel bepaalde verplichtingen, wanneer die werkgever niet in die andere lidstaat gevestigd is en zijn verplichting om in de financiering van het waarborgfonds bij te dragen vervult in de lidstaat waar hij zijn zetel heeft, rusten op dat fonds.
Richtlijn 80/987 verzet zich er niet tegen dat een nationale wettelijke regeling bepaalt dat een werknemer overeenkomstig het recht van die lidstaat een beroep kan doen op de loonwaarborg van het nationale fonds, als aanvulling op of ter vervanging van de waarborg die wordt geboden door het fonds dat ingevolge deze richtlijn bevoegd is, op voorwaarde echter dat die waarborg de werknemer een betere bescherming biedt.
ondertekeningen
* Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy