ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)
30 juni 2011 (*)
„Richtlijn 91/628/EEG – Hoofdstuk VII, punt 48, lid 5, van bijlage – Verordening (EG) nr. 615/98 – Artikel 5, lid 3 – Restituties bij uitvoer – Bescherming van runderen tijdens vervoer per spoor – Voorwaarden voor betaling van restituties bij uitvoer van runderen – Naleving van richtlijn 91/628/EEG – Evenredigheidsbeginsel”
In zaak C‑485/09,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Finanzgericht Hamburg (Duitsland) bij beslissing van 27 oktober 2009, ingekomen bij het Hof op 1 december 2009, in de procedure
Viamex Agrar Handels GmbH
tegen
Hauptzollamt Hamburg-Jonas,
wijst
HET HOF (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: A. Rosas, waarnemend voor de president van de Zesde kamer, U. Lõhmus (rapporteur) en P. Lindh, rechters,
advocaat-generaal: P. Mengozzi,
griffier: K. Malacek, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 30 november 2010,
gelet op de opmerkingen van:
– Viamex Agrar Handels GmbH, vertegenwoordigd door K. Landry, Rechtsanwalt,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Wilman en B. Schima als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van hoofdstuk VII, punt 48, lid 5, van de bijlage bij richtlijn 91/628/EEG van de Raad van 19 november 1991 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en tot wijziging van de richtlijnen 90/425/EEG en 91/496/EEG (PB L 340, blz. 17), zoals gewijzigd bij richtlijn 95/29/EG van de Raad van 29 juni 1995 (PB L 148, blz. 52; hierna: „richtlijn 91/628”), en van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 615/98 van de Commissie van 18 maart 1998 houdende bijzondere uitvoeringsbepalingen voor het stelsel van uitvoerrestituties met betrekking tot het welzijn van levende runderen tijdens het vervoer ervan (PB L 82, blz. 19).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Viamex Agrar Handels GmbH (hierna: „Viamex”) en het Hauptzollamt Hamburg‑Jonas over restituties bij de uitvoer van levende runderen naar Egypte.
Rechtskader
Unierecht
3 Volgens artikel 13, lid 9, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (PB L 148, blz. 24), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2634/97 van de Raad van 18 december 1997 (PB L 356, blz. 13; hierna: „verordening nr. 805/68”), wordt de restitutie bij uitvoer van levende dieren slechts betaald indien is voldaan aan de voorschriften van de Gemeenschap inzake het welzijn van dieren en meer in het bijzonder inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer.
4 Verordening nr. 615/98 bevat nadere uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 805/68.
5 Artikel 1 van verordening nr. 615/98 bepaalt dat de betaling van de restituties bij uitvoer van levende runderen afhankelijk wordt gesteld van de naleving, tijdens het vervoer van de dieren tot de eerste lossingsplaats in het derde land van de eindbestemming, van richtlijn 91/628 en van de genoemde verordening.
6 Artikel 5, lid 3, van verordening nr. 615/98 bepaalt dat de uitvoerrestitutie niet wordt betaald voor dieren die tijdens het vervoer zijn overleden of waarvoor de bevoegde autoriteit, op grond van de in artikel 5, lid 2, van deze verordening bedoelde documenten, de verslagen over de in artikel 4 van deze verordening bedoelde controles en/of welke andere gegevens ook waarover zij beschikt over de naleving van artikel 1 van deze verordening, van oordeel is dat richtlijn 91/628 niet is nageleefd.
7 In de negende overweging van de considerans van richtlijn 91/628 staat dat de „[voorgestelde] voorschriften een efficiëntere bescherming van de dieren tijdens het vervoer moeten garanderen”.
8 Artikel 2, lid 2, van richtlijn 91/628 bevat de volgende definities:
„a) ‚vervoermiddel’: de voor het inladen en vervoeren van dieren gebruikte gedeelten van voertuigen voor vervoer over de weg of per spoor, schepen en luchtvaartuigen, alsmede containers voor het vervoer over land, over zee of door de lucht;
b) ‚vervoer’: elke verplaatsing van dieren met behulp van een vervoermiddel, het in‑ en uitladen van de dieren inbegrepen;
[...]
g) ‚reis’: het vervoer van de plaats van vertrek naar de plaats van bestemming.
h) ‚rusttijd’: ononderbroken periode tijdens de reis waarin de dieren niet worden verplaatst met behulp van een vervoermiddel;
[...]”
9 Hoofdstuk VII van de bijlage bij richtlijn 91/628 („Tussenpozen voor het drenken en het voederen, alsmede reis‑ en rusttijden”), bepaalt in punt 48:
„1. De voorschriften van dit hoofdstuk zijn van toepassing op het vervoer van de in artikel 1, [lid] 1, sub a, vermelde diersoorten, met uitzondering van het luchtvervoer waarvoor de voorschriften van hoofdstuk I, E, punten 27 tot en met 29 gelden.
2. De reistijd van dieren die behoren tot de in [lid] 1 bedoelde soorten, mag niet langer zijn dan 8 uur.
3. De in [lid] 2 genoemde maximale reistijd kan worden verlengd indien het vervoermiddel voldoet aan de onderstaande aanvullende voorwaarden:
[...]
– in het vervoermiddel is al naargelang van de vervoerde diersoorten en de duur van de reis voldoende voeder aanwezig;
[...]
4. Wanneer wegvoertuigen worden gebruikt die voldoen aan de voorwaarden van [lid] 3, gelden de volgende tussenpozen voor het voederen en drenken, alsmede de volgende reis‑ en rusttijden:
a) kalveren, lammeren, jonge geiten en [...] veulens [...] alsmede [...] biggen [...]
b) [...] varkens [...]
c) [...] eenhoevige huisdieren [...]
d) alle andere dieren van de in [lid] 1 bedoelde soorten moeten na een reistijd van 14 uur een voldoende rusttijd van ten minste 1 uur krijgen, waarin zij worden gedrenkt en zo nodig gevoederd. Na deze rusttijd kunnen zij opnieuw gedurende 14 uur worden vervoerd.
5. Na de vastgestelde reistijd moeten de dieren worden uitgeladen, gevoederd en gedrenkt, en moeten zij een rusttijd van ten minste 24 uur krijgen.
6. De dieren mogen niet per trein worden vervoerd indien de maximale reistijd langer is dan voorgeschreven in [lid] 2. De in [lid] 4 voorgeschreven reistijden zijn evenwel van toepassing indien is voldaan aan de voorwaarden bedoeld in de [leden] 3 en 4, met uitzondering van de rusttijden.
7. a) De dieren mogen niet over zee worden vervoerd indien de maximale reistijd langer is dan die voorgeschreven in [lid] 2, behalve indien is voldaan aan de voorwaarden bedoeld in de [leden] 3 en 4, met uitzondering van de reistijden en rusttijden.
b) Bij zeevervoer waarbij op gezette tijden een rechtstreekse verbinding wordt verzorgd tussen twee verschillende plaatsen in de Gemeenschap met voertuigen die op de schepen worden geladen zonder dat de dieren worden gelost, moeten de dieren na in de haven van bestemming of in de onmiddellijke omgeving te zijn ontscheept, een rusttijd van twaalf uur krijgen, tenzij de reistijd op zee deel uitmaakt van het algemene schema van de [leden] 2, 3 en 4.”
8. In het belang van de dieren kunnen de reistijden bedoeld in de [leden] 3, 4 en 7 b met 2 uur worden verlengd, met name gelet op de nabijheid van de plaats van bestemming.
[...]”
Nationaal recht
10 De verordening inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer (Tierschutztransportverordnung) van 25 februari 1997 (BGBl. I, blz. 348), die ten tijde van de feiten van het hoofdgeding van toepassing was, bepaalde in § 24, betreffende de beperking van het vervoer:
„1. Indien de plaats van vertrek en de plaats van bestemming zich in Duitsland bevinden, mag het vervoer van landbouwhuisdieren naar het slachthuis niet langer dan acht uur duren. [...]
2. Bij ander dan het in lid 1 genoemde vervoer van landbouwhuisdieren moeten de vervoerder en de verantwoordelijke voor het transport na een reistijd van ten hoogste 8 uur ervoor zorgen dat de landbouwhuisdieren worden uitgeladen en in het kader van een rustpauze van 24 uur worden gevoederd en gedrenkt, en wel in een halteplaats die door de bevoegde autoriteit is toegelaten [...]
[...]
5. De voorschriften in de leden 2 en 3 juncto bijlage 2 inzake het uitladen en de rustpauzen zijn niet van toepassing op het vervoer per trein of per schip [van dieren].”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
11 Viamex heeft op 12 oktober 2000 bij het Hauptzollamt Itzehoe de uitvoer van 20 levende runderen naar Egypte aangegeven en op 26 oktober 2000 om uitvoerrestituties verzocht bij het Hauptzollamt Hamburg-Jonas (hierna: „Hauptzollamt”). Deze dieren werden per spoor van Husum (Duitsland) naar Rasa (Kroatië) vervoerd alvorens op een boot te worden geladen.
12 Blijkens de verwijzingsbeslissing heeft het overladen van de dieren te Husum volgens het reisschema plaatsgevonden op 12 oktober 2000 tussen 11.30 uur en 18 uur. De trein is rond 20.10 uur uit Husum vertrokken. Na een stop op 13 oktober 2000 te Jesenice (Slovenië), waar de dieren tussen 21 uur en 22.30 uur zijn gedrenkt en gevoederd, heeft de trein op 14 oktober 2000 rond 5.30 uur Rasa bereikt.
13 Bij beslissing van 9 augustus 2005 heeft het Hauptzollamt het verzoek om restituties na een onderzoek van voormeld reisschema afgewezen op grond dat dit vervoer 33 uur en 20 minuten heeft geduurd en dus de in hoofdstuk VII, punt 48, van de bijlage bij richtlijn 91/628 bepaalde maximale reistijd van 28 uur overschreed.
14 In haar bezwaar tegen die beslissing heeft Viamex met name betoogd dat het oneerlijk was haar de uitvoerrestitutie te weigeren, aangezien de duur van het vervoer per spoor strookt met de nationale voorschriften.
15 Bij beslissing van 24 mei 2006 heeft het Hauptzollamt dat bezwaar afgewezen op grond dat de Europese Commissie in het kader van een onderzoek van de transporten per spoor heeft vastgesteld dat de gemiddelde reistijd van Husum naar Rasa 36 uur en 35 minuten bedroeg, terwijl volgens het reisschema voor veevervoer dat het departement vrachten van de Duitse spoorwegen heeft meegedeeld aan de veterinaire autoriteiten, de in het hoofdgeding aan de orde zijnde reistijd 34 uur en 41 minuten bedroeg. Daaruit blijkt volgens het Hauptzollamt dus dat dit vervoer niet alleen de in richtlijn 91/628 bepaalde maximale reistijd heeft overschreden, maar dat bovendien de rusttijd van 24 uur die deze richtlijn voorschrijft wanneer de maximale reistijd is bereikt, niet in acht is genomen.
16 In haar beroep van 26 juni 2006 heeft Viamex opnieuw benadrukt dat de voorschriften inzake de rusttijd en de reistijd overeenkomstig de nationale bepalingen tot uitvoering van richtlijn 91/628 in de Duitse rechtsorde niet van toepassing zijn op het vervoer per spoor.
17 Volgens het Finanzgericht Hamburg hangt de beslechting van het hoofdgeding af van de vraag of Viamex de in hoofdstuk VII, punt 48, lid 5, van de bijlage bij richtlijn 91/628 neergelegde voorschriften heeft geschonden. Volgens deze voorschriften moeten de dieren na de vastgestelde reistijd worden uitgeladen, gevoederd en gedrenkt, en moeten zij een rusttijd van ten minste 24 uur krijgen. Die rechter vraagt zich af of uit de systematische positie van die bepaling kan worden afgeleid dat zij slechts van toepassing is op het vervoer over de weg.
18 Bovendien wenst de verwijzende rechter te vernemen of hij in gevallen zoals dat van het hoofdgeding moet nagaan of de nationale bevoegde autoriteit artikel 5, lid 3, van verordening nr. 615/98 in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel heeft toegepast. In dit verband volgt volgens hem uit de rechtspraak van het Hof dat bepaalde schendingen, met name die welke niet tot de dood van de dieren leiden, niet automatisch het verlies van het recht op de uitvoerrestitutie meebrengen, zodat de bevoegde autoriteit met inachtneming van dat beginsel moet beslissen over het behoud, de verlaging of het verlies van een dergelijke restitutie.
19 Daarop heeft het Finanzgericht Hamburg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) Is punt 48, [lid 5,] van hoofdstuk VII van de bijlage bij richtlijn 91/628 [...] van toepassing op het vervoer per spoor?
2) Is de rechter in gevallen waarin een inbreuk op richtlijn 91/628 [...] niet tot de dood van de dieren heeft geleid, in het algemeen verplicht na te gaan of de bevoegde autoriteit van de lidstaat artikel 5, lid 3, van verordening [nr. 615/98] in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel heeft toegepast?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
20 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen van het Hof te vernemen of hoofdstuk VII, punt 48, lid 5, van de bijlage bij richtlijn 91/628 van toepassing is op het vervoer per spoor.
21 Viamex leidt uit een systematische uitlegging van dat hoofdstuk af dat punt 48, lid 5, niet op dat soort vervoer van toepassing is. Volgens haar volgt uit die uitleggingsmethode dat dit punt in de leden 2 tot en met 5 op het vervoer per vrachtwagen betrekking heeft, in de leden 6 en 7 op respectievelijk het vervoer per spoor en over zee en in de leden 8 en 9 op elk vervoermiddel.
22 Hoofdstuk VII, punt 48, lid 5, van de bijlage bij richtlijn 91/628 bepaalt in algemene termen dat de dieren na de vastgestelde reistijd moeten worden uitgeladen, gevoederd en gedrenkt, en een rusttijd van ten minste 24 uur moeten krijgen.
23 Uit dat lid 5 en uit andere bepalingen van richtlijn 91/628 blijkt niet dat de Uniewetgever de werkingssfeer van dat lid tot het vervoer over de weg heeft willen beperken.
24 Uit de bewoordingen van diverse leden van hoofdstuk VII, punt 48, van de bijlage bij richtlijn 91/628 blijkt immers dat de leden waarvan de werkingssfeer tot een concreet vervoermiddel beperkt is, dit uitdrukkelijk preciseren. Zo volgt uit de bewoordingen van de leden 4, 6 en 7 van punt 48 dat deze op respectievelijk het vervoer over de weg, per spoor en over zee van toepassing zijn. Aangezien lid 5 van dat punt geen dergelijke precisering bevat, geldt het voor alle vervoermiddelen.
25 Hoofdstuk VII, punt 48, lid 5, van de bijlage bij die richtlijn is derhalve ook van toepassing op het vervoer per spoor.
26 Die uitlegging wordt in de eerste plaats bevestigd door de opzet van richtlijn 91/628. Uit de in artikel 2, lid 2, van deze richtlijn gegeven definities van de begrippen „vervoer” en „rusttijd” volgt namelijk dat de tijdvakken tussen het laden van de dieren op een vervoermiddel en het uitladen ervan allebei noodzakelijkerwijs vallen onder ofwel vervoer ofwel rust. Aangezien de in de leden 2 en 3 van punt 48 van hoofdstuk VII van de bijlage bij richtlijn 91/628 neergelegde voorschriften inzake de maximale reistijd mede van toepassing zijn op het vervoer per spoor, gelden ook de voorschriften inzake de rusttijd na de reistijd voor dat vervoermiddel.
27 Die uitlegging wordt in de tweede plaats bevestigd door de doelstelling van richtlijn 91/628, die er volgens de negende overweging van de considerans van deze richtlijn in bestaat te garanderen dat de dieren tijdens het vervoer efficiënter worden beschermd.
28 Gelet op het voorgaande dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat hoofdstuk VII, punt 48, lid 5, van de bijlage bij richtlijn 91/628 mede op het vervoer per spoor van toepassing is.
Tweede vraag
29 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de bevoegde autoriteiten en de rechterlijke instanties van de lidstaten in het geval dat de schending van richtlijn 91/628 niet tot de dood van de vervoerde dieren heeft geleid, bij de uitoefening van hun toezicht artikel 5, lid 3, van verordening nr. 615/98 in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel moeten toepassen.
30 Om te beginnen moet in herinnering worden gebracht dat het Hof in punt 38 van het arrest van 17 januari 2008, Viamex Agrar Handel en ZVK (C‑37/06 en C‑58/06, Jurispr. blz. I‑69), in het kader van een zaak tussen dezelfde partijen, heeft geoordeeld dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten slechts in twee duidelijk verschillende, in artikel 5, lid 3, van verordening nr. 615/98 vastgestelde situaties een beslissing kunnen nemen betreffende het bedrag van de uitvoerrestitutie. In het eerste geval, wanneer de dood van de dieren te wijten is aan de niet-naleving van de voorschriften van richtlijn 91/628, laat de Uniewetgever de bevoegde autoriteit geen enkele beoordelingsmarge, aangezien hij uitdrukkelijk bepaalt dat de restitutie niet wordt betaald. In het tweede geval daarentegen, wanneer die autoriteit van mening is dat richtlijn 91/628 niet is nageleefd zonder dat dit tot de dood van de dieren heeft geleid, laat de Uniewetgever de bevoegde autoriteit een zekere beoordelingsmarge om te beslissen of de niet-naleving van een bepaling van die richtlijn het verlies, de verlaging of het behoud van de uitvoerrestitutie tot gevolg kan hebben.
31 Wat dit tweede geval betreft, heeft het Hof gepreciseerd dat het aan de bevoegde autoriteit staat om te beoordelen of de inbreuk op een bepaling van richtlijn 91/628 gevolgen heeft gehad voor het welzijn van de dieren (zie in die zin arrest Viamex Agrar Handel en ZVK, reeds aangehaald, punt 44, en arrest van 13 maart 2008, Viamex Agrar Handel, C‑96/06, Jurispr. blz. I‑1413, punt 51).
32 In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat het bij de niet-naleving van richtlijn 91/628 die de verlaging of het verlies van de uitvoerrestitutie met zich kan brengen, slechts gaat om de bepalingen van deze richtlijn die verband houden met het dierenwelzijn, dus met de fysieke toestand en/of de gezondheid van de dieren, en niet om de bepalingen van deze richtlijn die daar in beginsel geen verband mee houden (arrest Viamex Agrar Handel en ZVK, reeds aangehaald, punt 42).
33 Bovendien heeft het Hof geoordeeld dat het aan de bevoegde autoriteit staat om te beoordelen of de inbreuk op een bepaling van richtlijn 91/628 kan worden verholpen en of zij moet leiden tot het verlies, de verlaging of het behoud van de uitvoerrestitutie. Het staat eveneens aan die autoriteit om te beslissen of de uitvoerrestitutie moet worden verlaagd naar rata van het aantal dieren dat volgens haar geleden kan hebben ten gevolge van de niet-naleving van richtlijn 91/628, dan wel of de betaling van deze restitutie achterwege dient te blijven omdat de niet-naleving van een bepaling van deze richtlijn onvermijdelijk gevolgen heeft gehad voor het welzijn van alle dieren (zie in die zin reeds aangehaalde arresten Viamex Agrar Handel en ZVK, punt 44, en Viamex Agrar Handel, punt 51).
34 Viamex is van mening dat uit voormelde rechtspraak volgt dat de toepassing van het evenredigheidsbeginsel tot gevolg heeft dat de bevoegde autoriteiten en de rechterlijke instanties van de lidstaten een getrapt sanctiestelsel moeten invoeren waarbij de uitvoerrestitutie slechts wordt verleend indien het welzijn van de dieren niet werkelijk is geschaad tijdens het vervoer.
35 Dat betoog kan niet worden aanvaard.
36 Zoals het Hof in punt 47 van voormeld arrest Viamex Agrar Handel heeft geoordeeld, blijkt immers duidelijk uit de bewoordingen van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 615/98 dat de Uniewetgever de betaling van de uitvoerrestituties afhankelijk heeft gesteld van de naleving van richtlijn 91/628, los van elke vaststelling van concrete schade voor de dieren tijdens het vervoer.
37 In die zin kan het welzijn van dieren in gevaar worden gebracht en niet meer worden gewaarborgd zodra de bepalingen van richtlijn 91/628 inzake de gezondheid van dieren niet meer worden nageleefd. Evenzo is het in de praktijk voor de bevoegde autoriteit niet altijd mogelijk om vast te stellen dat de dieren concreet hebben geleden of gewond zijn geraakt wegens de niet-naleving van die bepalingen (zie in die zin arrest Viamex Agrar Handel, reeds aangehaald, punten 48 en 49).
38 Uit de in de punten 32 en 33 alsmede 36 en 37 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak volgt dat het onderzoek van de bevoegde autoriteit in de eerste plaats de vraag moet betreffen of de niet-nageleefde bepaling van richtlijn 91/628 betrekking heeft op het welzijn van de dieren. Indien dit het geval is, dient in de tweede plaats te worden nagegaan of die niet-naleving het welzijn van alle vervoerde dieren betrof dan wel alleen het welzijn van een beperkt aantal van de dieren waarvoor om de uitvoerrestitutie is verzocht. In de derde plaats moet de bevoegde autoriteit nagaan of de vastgestelde niet-naleving kan worden verholpen. Op basis van die elementen beslist die autoriteit of de inbreuk op een bepaling van richtlijn 91/628 het verlies, de verlaging of het behoud van de uitvoerrestitutie tot gevolg moet hebben.
39 In het geval dat die autoriteit tot de vaststelling komt dat de schending van richtlijn 91/628 het welzijn van alle vervoerde dieren betrof, dient zij de uitvoerrestitutie te weigeren, zonder dat in het bijzonder hoeft te zijn aangetoond dat er concrete schade voor de dieren was tijdens het vervoer.
40 Wanneer de schending van richtlijn 91/628 daarentegen slechts een deel van die dieren betreft, staat het aan de bevoegde autoriteit om te beslissen of de uitvoerrestitutie moet worden verlaagd naar rata van het aantal dieren dat geleden kan hebben ten gevolge van deze schending. Die restitutie wordt hoe dan ook niet verleend voor dieren waarvoor richtlijn 91/628 niet is nageleefd.
41 Bijgevolg dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat in het geval dat de schending van richtlijn 91/628 niet tot de dood van de vervoerde dieren heeft geleid, de bevoegde autoriteiten en de rechterlijke instanties van de lidstaten bij de uitoefening van hun toezicht artikel 5, lid 3, van verordening nr. 615/98 in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel moeten toepassen, door de betaling van de uitvoerrestitutie te weigeren voor dieren waarvoor de bepalingen van deze richtlijn betreffende het dierenwelzijn niet zijn nageleefd.
Kosten
42 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:
1) Hoofdstuk VII, punt 48, lid 5, van de bijlage bij richtlijn 91/628/EEG van de Raad van 19 november 1991 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en tot wijziging van de richtlijnen 90/425/EEG en 91/496/EEG, zoals gewijzigd bij richtlijn 95/29/EG van de Raad van 29 juni 1995, is mede op het vervoer per spoor van toepassing.
2) In het geval dat de schending van richtlijn 91/628, zoals gewijzigd bij richtlijn 95/29, niet tot de dood van de vervoerde dieren heeft geleid, moeten de bevoegde autoriteiten en de rechterlijke instanties van de lidstaten bij de uitoefening van hun toezicht artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 615/98 van de Commissie van 18 maart 1998 houdende bijzondere uitvoeringsbepalingen voor het stelsel van uitvoerrestituties met betrekking tot het welzijn van levende runderen tijdens het vervoer ervan, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel toepassen, door de betaling van de uitvoerrestitutie te weigeren voor dieren waarvoor de bepalingen van deze richtlijn betreffende het dierenwelzijn niet zijn nageleefd.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy