Zaak C‑511/09 P
Dongguan Nanzha Leco Stationery Mfg. Co. Ltd
tegen
Raad van de Europese Unie
„Hogere voorziening – Dumping – Invoer van hefboommechanismen uit Volksrepubliek China – Verordening (EG) nr. 1136/2006 – Vaststelling van dumpingmarge – Vergelijking tussen normale waarde en uitvoerprijs – Verordening (EG) nr. 384/96 – Artikel 2, leden 7, sub a, en 10”
Samenvatting van het arrest
1. Gemeenschappelijke handelspolitiek – Bescherming tegen dumpingpraktijken – Dumpingmarge – Vergelijking tussen normale waarde en uitvoerprijs – Correcties
(Verordening nr. 384/96 van de Raad, art. 2, lid 10)
2. Gemeenschappelijke handelspolitiek – Bescherming tegen dumpingpraktijken – Dumpingmarge – Vaststelling van normale waarde – Invoer uit landen zonder markteconomie in zin van artikel 2, lid 7, sub a, van verordening nr. 384/96
(Verordening nr. 384/96 van de Raad, art. 2, leden 1, 3 en 7)
1. In het kader van de toepassing van antidumpingmaatregelen worden de normale waarde en de uitvoerprijs volgens verschillende regels bepaald. De verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten hoeven dus niet noodzakelijkerwijs in beide gevallen op dezelfde wijze te worden bepaald. Eventuele verschillen tussen de twee waarden zouden evenwel in aanmerking kunnen worden genomen in het kader van de in artikel 2, lid 10, van basisantidumpingverordening nr. 384/96 bedoelde correcties.
Dienaangaande blijkt zowel uit de letter als uit de opzet van artikel 2, lid 10, van basisverordening nr. 384/96 dat de uitvoerprijs of de normale waarde alleen mag worden gecorrigeerd om rekening te houden met verschillen in factoren die van invloed zijn op de prijzen en dus op de vergelijkbaarheid daarvan, dit om te verzekeren dat de vergelijking in hetzelfde handelsstadium wordt gemaakt. Bij het doorvoeren van een dergelijke correctie kunnen de instellingen van de Unie zich aldus baseren op de verkoopkosten die worden gemaakt om producten op de communautaire markt te brengen, wanneer de normale waarde en de uitvoerprijs in twee verschillende handelsstadia zijn bepaald en de verkoopkosten in zekere mate van invloed kunnen zijn op de vergelijkbaarheid van deze uitvoerprijs en deze normale waarde.
(cf. punten 25‑26, 37, 39)
2. Hoewel artikel 2, lid 1, van basisantidumpingverordening nr. 384/96 als algemeen beginsel vooropstelt dat de normale waarde normaal is gebaseerd op de prijzen die door onafhankelijke afnemers in het land van uitvoer in het kader van normale handelstransacties worden betaald of dienen te worden betaald, blijkt noch uit de letter noch uit de opzet van artikel 2, lid 7, van deze verordening, noch uit de rechtspraak van het Hof dat, wanneer de instellingen van de Unie de normale waarde „op een andere redelijke grondslag” bepalen, deze normale waarde steeds moet overeenstemmen met de normale waarde waartegen het product aan de eerste onafhankelijke afnemer wordt geleverd. Een dergelijke uitlegging zou afbreuk doen aan de beoordelingsvrijheid van de instellingen van de Unie bij de bepaling van de normale waarde voor landen zonder markteconomie.
Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door artikel 2, lid 3, van deze basisverordening, dat slechts betrekking heeft op de berekening van de normale waarde voor een exportonderneming die in een markteconomie werkzaam is.
(cf. punten 33‑34)
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
27 oktober 2011 (*)
„Hogere voorziening – Dumping – Invoer van hefboommechanismen uit de Volksrepubliek China – Verordening (EG) nr. 1136/2006 – Vaststelling van dumpingmarge – Vergelijking tussen normale waarde en uitvoerprijs – Verordening (EG) nr. 384/96 – Artikel 2, lid 7, sub a, en lid 10”
In zaak C‑511/09 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 4 december 2009,
Dongguan Nanzha Leco Stationery Mfg. Co., Ltd, gevestigd te Dongguan (China), vertegenwoordigd door P. Bentley, QC,
rekwirante,
andere partijen bij de procedure:
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door J.‑P. Hix en B. Driessen als gemachtigden, bijgestaan door G. Berrisch, Rechtsanwalt,
verweerder in eerste aanleg,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door H. van Vliet en C. Clyne als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
IML Industria Meccanica Lombarda Srl, vertegenwoordigd door R. Bierwagen, Rechtsanwalt,
interveniënten in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, J. Malenovský, R. Silva de Lapuerta, E. Juhász en G. Arestis (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: Y. Bot,
griffier: C. Strömholm, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 9 december 2010,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 27 januari 2011,
het navolgende
Arrest
1 Met haar hogere voorziening vordert Dongguan Nanzha Leco Stationery Mfg. Co. Ltd (hierna: „Dongguan”) vernietiging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 23 september 2009, Dongguan Nanzha Leco Stationery/Raad (T‑296/06; hierna: „bestreden arrest”), voor zover het eerste onderdeel van het eerste middel van Dongguan hierbij is verworpen, en verzoekt zij het Hof, zelf het geding af te doen en verordening (EG) nr. 1136/2006 van de Raad van 24 juli 2006 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op hefboommechanismen uit de Volksrepubliek China (PB L 205, blz. 1; hierna: „definitieve verordening”) nietig te verklaren, voor zover daarbij een recht op de door Dongguan geproduceerde hefboommechanismen wordt ingesteld dat hoger is dan het recht dat had moeten worden betaald indien de betwiste correctie van de uitvoerprijs niet had plaatsgevonden.
Toepasselijke bepalingen
2 De regels betreffende de toepassing van antidumpingmaatregelen door de Europese Unie zijn neergelegd in verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 1996, L 56, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2117/2005 van de Raad van 21 december 2005 (PB L 340, blz. 17; hierna: „basisverordening”).
3 Artikel 2, leden 1 tot en met 7, van de basisverordening definieert de normale waarde van producten die worden geacht tegen dumpingprijzen te worden ingevoerd. Deze bepaling luidt als volgt:
„1. De normale waarde is normaal gebaseerd op de prijzen die door onafhankelijke afnemers in het land van uitvoer in het kader van normale handelstransacties worden betaald of dienen te worden betaald.
[...]
3. Wanneer het soortgelijke product niet of niet in voldoende hoeveelheden in het kader van normale handelstransacties is verkocht of indien, wegens de bijzondere marktsituatie, deze verkoop geen deugdelijke vergelijking mogelijk maakt, wordt de normale waarde van het soortgelijke product berekend aan de hand van de productiekosten in het land van oorsprong, vermeerderd met een redelijk bedrag voor verkoopkosten, algemene kosten, administratiekosten en winst, of aan de hand van de prijzen bij uitvoer naar een geschikt derde land in het kader van normale handelstransacties, mits deze prijzen representatief zijn.
[...]
7. a) Bij invoer uit landen zonder markteconomie wordt de normale waarde vastgesteld aan de hand van de prijs of de berekende waarde in een land met markteconomie of aan de hand van de prijs bij uitvoer uit een dergelijk derde land naar andere landen, waaronder de Gemeenschap of, indien dit niet mogelijk is, op een andere redelijke grondslag zoals de werkelijk betaalde of te betalen prijs van het soortgelijke product in de Gemeenschap, indien nodig verhoogd met een redelijke winstmarge.
[...]
b) Bij antidumpingonderzoeken betreffende producten uit de Volksrepubliek China, Vietnam en Kazachstan en landen met staatshandel die op het tijdstip van de opening van het onderzoek lid zijn van de [Wereldhandelsorganisatie (WTO)], wordt de normale waarde vastgesteld overeenkomstig de leden 1 tot en met 6, indien naar aanleiding van met bewijsmateriaal gestaafde verzoeken van een of meer producenten bij wie een onderzoek moet worden ingesteld, overeenkomstig de sub c vermelde criteria en procedures wordt aangetoond dat deze producent of producenten het betrokken soortgelijke product op marktvoorwaarden vervaardigen en verkopen. Indien dit niet het geval is, is het bepaalde sub a van toepassing.
[...]”
4 Artikel 2, lid 8, van de basisverordening bepaalt:
„De uitvoerprijs is de werkelijk betaalde of te betalen prijs van het product dat vanuit het land van uitvoer met het oog op uitvoer naar de Gemeenschap wordt verkocht.”
5 Artikel 2, lid 10, van de basisverordening bepaalt:
„De uitvoerprijs wordt op billijke wijze met de normale waarde vergeleken. Deze vergelijking geschiedt in hetzelfde handelsstadium, voor verkopen op zo dicht mogelijk bij elkaar liggende data en met inachtneming van andere verschillen die van invloed zijn op de vergelijkbaarheid van de prijzen. Wanneer de vastgestelde normale waarde en de uitvoerprijs niet op deze grondslag kunnen worden vergeleken, wordt door middel van correcties, naargelang van de bijzondere kenmerken van elke zaak, rekening gehouden met verschillen tussen factoren waarvan wordt beweerd en aangetoond dat zij van invloed op de prijzen zijn en, dientengevolge, op de vergelijkbaarheid daarvan. Hierbij dienen dubbele correcties te worden vermeden, in het bijzonder wat de kortingen, rabatten, hoeveelheden en het handelsstadium betreft. Wanneer aan de gestelde voorwaarden is voldaan, kunnen correcties worden toegepast voor de hierna volgende factoren:
[...]
i) Commissies
Er wordt een correctie toegepast voor verschillen in de commissies die in verband met de verkoop van de betrokken producten worden betaald. Onder ‚commissies’ wordt ook verstaan de marge van een [handelaar] die in het product of het soortgelijke product handelt indien de functies van deze handelaar vergelijkbaar zijn met die van een op commissiebasis werkende agent.
[...]”
Voorgeschiedenis van het geding
6 De aan het geding ten grondslag liggende feiten worden uiteengezet in de punten 8 tot en met 24 van het bestreden arrest:
„Procedure van oorspronkelijk onderzoek
8 Verzoekster, Dongguan [...], is een in Dongguan (China) gevestigde vennootschap naar Chinees recht. Zij produceert hefboommechanismen die normalerwijs worden gebruikt om bladen of andere stukken in ordners of dossiers op te bergen.
9 Verzoekster verkoopt haar volledige productie via Leco Stationery Manufacturing Co. Ltd (hierna: ‚LECO’), haar belangrijkste aandeelhouder, aan World Wide Stationery Ltd (hierna: ‚WWS’). WWS en LECO zijn beide te Hong Kong (China) gevestigd. WWS verkoopt verzoeksters productie vervolgens aan afnemers op de Chinese markt en tevens buiten China door deze productie naar de Europese Gemeenschap en andere derde landen uit te voeren.
10 Op 11 maart 2005 ontving de Commissie van de Europese Gemeenschappen een klacht van drie communautaire producenten, Interkov spol. s r.o., MI.ME.CA. Srl en NIKO – kovinarsko podjetje, d.d., Železniki, die samen goed zijn voor meer dan 50 % van de totale productie van hefboommechanismen in de Gemeenschap. De klacht werd gesteund door IML Industria Meccanica Lombarda Srl [(hierna: ‚IML’)]. In deze klacht werd gesteld dat de hefboommechanismen tegen dumpingprijzen uit China werden ingevoerd, waardoor zware schade werd berokkend aan de communautaire industrie.
11 Op 28 april 2005 is overeenkomstig artikel 5 van de basisverordening een bericht van inleiding van een antidumpingonderzoek betreffende de invoer van hefboommechanismen uit China bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (PB C 103, blz. 18).
12 Na de inleiding van deze onderzoeksprocedure heeft de Commissie een vragenlijst gezonden aan alle haar bekende partijen die bij het onderzoek betrokken waren. Verzoekster heeft deze vragenlijst ingevuld en vervolgens overeenkomstig artikel 2, lid 7, sub b en c, van de basisverordening een verzoek ingediend om als marktgerichte onderneming te worden erkend. Zij heeft subsidiair, overeenkomstig artikel 9, lid 5, van deze verordening, een verzoek om een individuele behandeling ingediend. De Commissie heeft haar eerste verzoek afgewezen, maar het tweede ingewilligd.
13 Per e-mail van 16 september 2005 heeft de Commissie verzoekster verzocht om haar te helpen bij de voorbereidingen voor een bezoek dat zij in de periode van 17 tot 19 oktober 2005 in Dongguan en Hong Kong zou afleggen, opdat zij daar in het kader van het onderzoek verificaties zou kunnen verrichten. Bij faxbericht van 4 oktober 2005 heeft de Commissie verzoekster formeel bevestigd dat zij een bezoek zou afleggen. Bij faxbericht van 5 oktober 2005 heeft de Commissie verzoekster evenwel verwittigd dat zij het geplande bezoek wegens onvoorziene omstandigheden moest annuleren.
Voorlopige verordening en vervolg van de onderzoeksprocedure
14 Op 26 januari 2006 heeft de Commissie verordening (EG) nr. 134/2006 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op hefboommechanismen uit de Volksrepubliek China vastgesteld (PB L 23, blz. 13; hierna: ‚voorlopige verordening’), waarbij zij met ingang van 28 januari 2006 een voorlopig antidumpingrecht van 33,3 % instelde voor de invoer van door verzoekster geproduceerde hefboommechanismen en een voorlopig antidumpingrecht van 48,1 % voor alle andere hefboommechanismen uit China.
15 Overeenkomstig artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening is de normale waarde van de hefboommechanismen voor de producenten/exporteurs die, net als rekwirante, niet als marktgerichte onderneming werden beschouwd, vastgesteld aan de hand van de geverifieerde gegevens die door een producent in een referentieland zijn verstrekt. In dit verband kwam de Commissie tot het voorlopige besluit dat Iran de beste en redelijkste keuze was. Bijgevolg heeft zij vastgesteld dat de normale waarde overeenkwam met de gewogen gemiddelde verkoopprijs die de Iraanse producent die zijn medewerking had verleend, op de nationale markt van Iran aan onafhankelijke afnemers in rekening bracht.
16 Overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening werd de uitvoerprijs van de hefboommechanismen van exporteurs die een individuele behandeling genoten en die deze mechanismen via buiten de Gemeenschap gevestigde verbonden ondernemingen naar de Gemeenschap uitvoerden, vastgesteld aan de hand van de prijzen waartegen het betrokken product aan onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap was doorverkocht. Meer bepaald werd de uitvoerprijs van verzoeksters hefboommechanismen vastgesteld aan de hand van de prijzen die WWS de eerste onafhankelijke afnemer in de Gemeenschap in rekening bracht, met aftrek van 12,6 % voor een aantal tussen de fabriek en de grens van de Gemeenschap gedragen kosten, zoals vervoers-, verzekerings‑ en behandelingskosten.
17 Volgens de voorlopige verordening werden de normale waarde en de uitvoerprijzen vergeleken af fabriek en in hetzelfde handelsstadium. Om een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs te kunnen maken, werd overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening rekening gehouden met verschillen waarvan werd beweerd en aangetoond dat zij invloed hadden op de prijzen en de vergelijkbaarheid daarvan. Ten aanzien van verzoekster werd een correctie toegepast op grond van artikel 2, lid 10, sub i, van de basisverordening, aangezien de exportverkopen hadden plaatsgevonden via een verbonden onderneming die in een ander land dan het betrokken land of buiten de Gemeenschap was gevestigd. Deze correctie hield in dat de uitvoerprijs van de hefboommechanismen werd verminderd met 18,6 % voor de verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten van WWS en met 1,8 % voor die van LECO, alsook met 5 % om rekening te houden met een redelijke winstmarge voor deze twee ondernemingen.
18 Bij brief van 3 maart 2006 heeft verzoekster schriftelijke opmerkingen over de toepassing van de voorlopige verordening ingediend. Zij stelde onder meer, ten eerste, dat het niet juist was om de verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten en de winst van LECO en WWS ten belope van een bepaald bedrag af te trekken van de door WWS gehanteerde uitvoerprijs, omdat de normale waarde en de uitvoerprijs in dat geval niet in hetzelfde handelsstadium werden vergeleken. Ten tweede merkte zij op dat bij de berekening van de verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten van WWS vergissingen waren begaan. Meer bepaald waren bepaalde kosten die verband hielden met de rechtstreekse verkoop, tweemaal geboekt.
19 Op 21 april 2006 is verzoekster tijdens een hoorzitting gehoord. Na deze hoorzitting heeft verzoekster op 26 april 2006 aanvullende schriftelijke opmerkingen ingediend.
20 Bij brief van 24 mei 2006 heeft de Commissie verzoekster overeenkomstig artikel 20, lid 1, van de basisverordening een definitieve uiteenzetting bezorgd van de voornaamste feiten en overwegingen op grond waarvan zij voornemens was de vaststelling van definitieve compenserende rechten voor te stellen. Bij brief van 5 juni 2006 heeft verzoekster schriftelijke opmerkingen over dat document ingediend. Tijdens een hoorzitting van 21 juni 2006 heeft zij tevens mondelinge opmerkingen geformuleerd. Ten slotte heeft de Commissie bij brief van 3 juli 2006 in antwoord op de opmerkingen van verzoekster aanvullende opmerkingen geformuleerd.
Definitieve verordening
21 Op 24 juli 2006 heeft de Raad van de Europese Unie de [definitieve verordening] vastgesteld. De definitieve dumpingmarge bedroeg 27,1 % voor verzoekster en 47,4 % voor de andere producenten.
22 Met betrekking tot de berekening van de normale waarde van de hefboommechanismen heeft de Raad in de definitieve verordening vastgesteld dat na nader onderzoek van alle door de producent in Iran verstrekte informatie moest worden geconcludeerd dat de informatie onvolledig en/of inconsistent was en derhalve niet als grondslag voor de definitieve berekening van de normale waarde van de hefboommechanismen kon worden gebruikt. Daarom is de berekening van de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening op een andere redelijke grondslag gebaseerd. Dienaangaande wordt in de definitieve verordening opgemerkt dat, aangezien informatie van andere derde landen waar hefboommechanismen worden geproduceerd ontbreekt, de gegevens die in de klacht en door de communautaire producenten waren verstrekt, de redelijkste grondslag vormden om de normale waarde van de hefboommechanismen definitief vast te stellen. Verder blijkt uit de definitieve verordening dat er correcties zijn toegepast om rekening te houden met specifieke geverifieerde gegevens die tijdens het onderzoek zijn verkregen, met name betreffende de prijzen van grondstoffen en vervoer.
23 De uitvoerprijs is op de in de voorlopige verordening uiteengezette wijze bepaald (zie punt 16 hierboven).
24 Volgens de definitieve verordening zijn de normale waarde en de uitvoerprijzen af fabriek en in hetzelfde handelsstadium vergeleken. Om in verzoeksters geval een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs te kunnen maken, is de correctie van de uitvoerprijs van WWS – ondanks het eerste door verzoekster in haar brief van 3 maart 2006 aangevoerde argument – overeenkomstig artikel 2, lid 10, sub i, van de basisverordening gehandhaafd. De gemeenschapsinstellingen hebben hun standpunt bevestigd dat de relatie van verzoekster met LECO en WWS vergelijkbaar was met een relatie met een op commissiebasis werkende handelaar. Bij het onderzoek van de tweede door verzoekster in haar brief van 3 maart 2006 naar voren gebrachte stelling, namelijk dat een aantal verkoopkosten van LECO en WWS tweemaal was geboekt, is gebleken dat bij de berekening van deze kosten een schrijffout is gemaakt. Bijgevolg werd de aftrek voor de verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten van WWS teruggebracht van 18,6 % naar 3,2 %. De uiteindelijk door de gemeenschapsinstellingen toegepaste correctie hield in dat 3,2 % van de uitvoerprijs werd afgetrokken voor met name de kosten voor rechtstreekse verkoop, de administratiekosten en de andere algemene kosten van WWS, 1,8 % voor de kosten van LECO en 5 % voor de winstmarge van de twee ondernemingen.”
Procesverloop voor het Gerecht en bestreden arrest
7 Bij verzoekschrift, ingeschreven op 19 oktober 2006, heeft Dongguan een beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring bij het Gerecht ingesteld. Bij beschikking van 16 februari 2007 heeft de president van de Vijfde kamer van het Gerecht de Commissie toegelaten tot interventie aan de zijde van de Raad. Bij beschikking van 19 april 2007 heeft hij IML toegelaten tot interventie aan de zijde van de Raad.
8 Ter ondersteuning van haar beroep heeft Dongguan twee middelen aangevoerd.
9 Met het eerste onderdeel van het eerste middel stelde zij dat artikel 2, lid 10, van de basisverordening was geschonden doordat de instellingen de normale waarde en de uitvoerprijs van de hefboommechanismen in verschillende handelsstadia hadden vergeleken. Met het tweede onderdeel van dit middel stelde zij dat de beginselen van goed bestuur en „gedegen toezicht” waren geschonden doordat de instellingen de hun meegedeelde gegevens niet op passende wijze hadden geverifieerd. Met het tweede middel stelde zij dat artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening was geschonden doordat de instellingen zonder serieuze rechtvaardigingsgrond in de definitieve verordening een andere methode voor de berekening van de normale waarde van de hefboommechanismen hadden gebruikt dan in de voorlopige verordening.
10 Wat het eerste onderdeel van het eerste middel betreft – het enige onderdeel dat in de onderhavige hogere voorziening aan de orde is – is het Gerecht tot de conclusie gekomen dat de krachtens artikel 2, lid 10, van de basisverordening doorgevoerde correctie, die erin bestond dat de verkoopkosten die werden gemaakt om de hefboommechanismen van Dongguan op de communautaire markt te brengen, van de uitvoerprijs werden afgetrokken, nodig was om een onevenwichtige vergelijking van de normale waarde en de uitvoerprijs van deze hefboommechanismen te vermijden.
11 Het Gerecht heeft met name, in de punten 40 tot en met 53, van het bestreden arrest het volgende vastgesteld:
„40 Ter inleiding zij eraan herinnerd dat de instellingen ter zake van beschermende handelsmaatregelen over een ruime beoordelingsvrijheid beschikken wegens de ingewikkeldheid van de economische, politieke en juridische situaties die zij moeten onderzoeken (arrest Hof van 27 september 2007, Ikea Wholesale, C‑351/04, Jurispr. blz. I‑7723, punt 40, en arrest Gerecht van 8 juli 2008, Huvis/Raad, T‑221/05, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 38).
41 Voorts is het vaste rechtspraak dat de gemeenschapsrechter op het gebied van beschermende handelsmaatregelen bij zijn toezicht op de beoordelingen van de instellingen alleen dient na te gaan of de procedureregels in acht zijn genomen, of de feiten op grond waarvan de betwiste keuze is gemaakt, juist zijn vastgesteld, en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid (zie arresten Gerecht van 28 oktober 2004, Shanghai Teraoka Electronic/Raad, T‑35/01, Jurispr. blz. II‑3663, punten 48 en 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 4 oktober 2006, Moser Baer India/Raad, T‑300/03, Jurispr. blz. II‑3911, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Deze beperkte rechterlijke toetsing geldt in het bijzonder voor de keuze tussen verschillende methoden voor de berekening van de dumpingmarge en voor de beoordeling van de normale waarde van een product (zie arrest Ikea Wholesale, aangehaald in punt 40, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
42 Volgens de rechtspraak blijkt voorts zowel uit de letter als uit de opzet van artikel 2, lid 10, van de basisverordening dat de uitvoerprijs of de normale waarde alleen mag worden gecorrigeerd om rekening te houden met verschillen in factoren die van invloed zijn op de prijzen en dus op de vergelijkbaarheid daarvan (arrest Gerecht van 21 november 2002, Kundan en Tata/Raad, T‑88/98, Jurispr. blz. II‑4897, punt 94). Met andere woorden, de bestaansreden van een correctie is het herstellen van de symmetrie tussen de normale waarde en de uitvoerprijs van een product, zodat, wanneer de correctie terecht is toegepast, dit impliceert dat de symmetrie tussen de normale waarde en de uitvoerprijs is hersteld. Wanneer de correctie daarentegen ten onrechte is toegepast, impliceert dit dat asymmetrie tussen de normale waarde en de uitvoerprijs wordt gecreëerd (arrest Gerecht van 10 maart 2009, Interpipe Niko Tube en Interpipe NTRP/Raad, T‑249/06, [Jurispr. blz. II‑383], punten 194 en 195).
43 In dit kader moet het Gerecht onderzoeken of het door de instellingen gekozen vergelijkingsstadium consequent is aangehouden bij de berekening van de normale waarde en de uitvoerprijs, en vervolgens nagaan of de toegepaste correctie de symmetrie in de vergelijking van deze twee factoren heeft hersteld of integendeel tot een vergelijking in verschillende handelsstadia heeft geleid.
44 In casu blijkt uit punt 22 van de considerans van de definitieve verordening dat de normale waarde en de uitvoerprijs van de hefboommechanismen uit China door de instellingen in hetzelfde handelsstadium zijn vergeleken, te weten af fabriek. Wat in het bijzonder de door verzoekster geproduceerde hefboommechanismen betreft, is in de brief van 3 juli 2006 aangegeven dat zowel de normale waarde als de uitvoerprijs van deze producten is bepaald voordat een mogelijke tussenhandelaar in het verkoopproces werd betrokken, dat wil zeggen, voordat LECO en WWS voor de verkoop van verzoeksters hefboommechanismen werden ingeschakeld.
45 Voorts betwist verzoekster niet dat de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening is berekend. Net als de instellingen erkent zij namelijk dat de uitvoerprijs van haar hefboommechanismen overeenstemt met de prijzen die WWS onafhankelijke afnemers op de communautaire markt in rekening brengt, zoals in punt 21 van de considerans van de definitieve verordening en in de punten 41 en 42 van de considerans van de voorlopige verordening, waarnaar in bovengenoemd punt 21 wordt verwezen, is uiteengezet.
46 De normale waarde daarentegen had volgens verzoekster overeenkomstig artikel 2, leden 1 en 3, van de basisverordening moeten worden vastgesteld en had bijgevolg moeten overeenstemmen met de prijs van haar hefboommechanismen zoals deze door WWS op de Chinese nationale markt wordt gehanteerd.
47 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat blijkens de bewoordingen van artikel 2, lid 7, sub b, van de basisverordening de vaststelling van de normale waarde van producten uit China volgens de in artikel 2, leden 1 tot en met 6, daarvan vastgestelde regels beperkt is tot specifieke individuele gevallen waarin de betrokken producenten elk voor zich een met bewijsmateriaal gestaafd verzoek overeenkomstig de criteria en de procedures van artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening hebben ingediend om aan te tonen dat zij onder marktvoorwaarden opereren (zie in die zin arrest Gerecht van 23 oktober 2003, Changzhou Hailong Electronics & Light Fixtures en Zhejiang Yankon/Raad, T‑255/01, Jurispr. blz. II‑4741, punt 40).
48 In het onderhavige geval zij evenwel vastgesteld dat het door verzoekster op grond van artikel 2, lid 7, sub b, van de basisverordening ingediende verzoek volgens punt 14 van de considerans van de definitieve verordening is afgewezen. Bijgevolg kon de normale waarde van verzoeksters hefboommechanismen niet worden bepaald op basis van de prijzen van deze producten op haar nationale markt, dat wil zeggen de door WWS op de Chinese markt gehanteerde prijzen, aangezien was vastgesteld dat de betrokken producten niet in het kader van normale handelstransacties werden verkocht.
49 Bovendien zijn de in dit verband door verzoekster aangehaalde punten 15 tot en met 18 van het [...] arrest Brother Industries/Raad [(250/85, Jurispr. blz. 5683)] in casu irrelevant. In dat arrest heeft het Hof weliswaar geoordeeld dat de instellingen de normale waarde van de producten uit Japan terecht aan de hand van de wederverkoopprijzen van de distributeur op de nationale markt hadden berekend, maar die beoordeling was gebaseerd op het feit dat Japan een land met een markteconomie was.
50 Verder is in punt 17 van de considerans van de definitieve verordening vastgesteld dat de normale waarde van de door verzoekster geproduceerde hefboommechanismen overeenkomstig artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening op een redelijke grondslag is berekend. Volgens de rechtspraak beoogt deze bepaling juist te voorkomen dat rekening wordt gehouden met de prijzen en kosten in landen zonder markteconomie, omdat deze niet het normale resultaat van markteconomische factoren zijn (zie naar analogie arresten Hof van 11 juli 1990, Neotype Techmashexport/Commissie en Raad, C‑305/86 en C‑160/87, Jurispr. blz. I‑2945, punt 26, en 22 oktober 1991, Nölle, C‑16/90, Jurispr. 1991, blz. I‑5163, punt 10). Wat in het bijzonder verzoeksters hefboommechanismen betreft, blijkt uit de brief van 3 juli 2006 dat de normale waarde is berekend op basis van de productie-, administratie‑ en andere algemene kosten van vergelijkbare communautaire producenten, vermeerderd met een redelijke winst. Bij deze berekening kon echter geen rekening worden gehouden met de kosten voor rechtstreekse verkoop, aangezien LECO en WWS met de verkoop van verzoeksters producten waren belast, zoals verzoekster meermaals – met name in haar antwoorden op de vragenlijst die zij de Commissie tijdens het onderzoek heeft toegezonden en in de brief van 5 juni 2006 – heeft erkend.
51 Uit de wijze waarop de normale waarde van verzoeksters hefboommechanismen is berekend en met name uit het feit dat bij deze berekening geen rekening is gehouden met de verkoopkosten, volgt dus dat bij de vergelijking van de normale waarde en de uitvoerprijs van verzoeksters hefboommechanismen een onevenwichtigheid zou zijn ontstaan, indien de instellingen niet overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening een correctie hadden toegepast door de kosten voor de verkoop van verzoeksters hefboommechanismen op de communautaire markt in mindering te brengen op de uitvoerprijs.
52 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de instellingen geen kennelijke beoordelingsfout hebben gemaakt, voor zover zij overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening een correctie hebben toegepast op de uitvoerprijs van de door verzoekster geproduceerde hefboommechanismen.
53 Gelet op het voorgaande moet het eerste onderdeel van verzoeksters eerste middel worden afgewezen.”
Procesverloop voor het Hof en conclusies van partijen
12 Met haar hogere voorziening verzoekt Dongguan het Hof:
– het bestreden arrest te vernietigen, voor zover het eerste onderdeel van het eerste middel dat Dongguan in eerste aanleg heeft aangevoerd, hierbij wordt afgewezen;
– het geding af te doen en de definitieve verordening nietig te verklaren, voor zover hierbij een antidumpingrecht op de door Dongguan geproduceerde hefboommechanismen wordt ingesteld dat hoger is dan het recht dat zou moeten worden betaald indien de betwiste correctie van de uitvoerprijs niet had plaatsgevonden, en
– de Raad te verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure, daaronder begrepen de kosten van eerste aanleg.
13 In zijn verweerschrift verzoekt de Raad het Hof:
– de hogere voorziening af te wijzen;
– subsidiair, het beroep te verwerpen, en
– hoe dan ook, Dongguan te verwijzen in de kosten van de hogere voorziening.
14 De Commissie sluit zich aan bij het standpunt van de Raad.
15 IML steunt de vorderingen van de Raad.
Hogere voorziening
16 Dongguan voert één middel aan en vordert op basis daarvan nietigverklaring van het bestreden arrest, voor zover het Gerecht het eerste onderdeel van het eerste middel – volgens hetwelk artikel 2, lid 10, van de basisverordening is geschonden doordat de instellingen de normale waarde en de uitvoerprijs van de hefboommechanismen in verschillende handelsstadia hebben vergeleken – heeft afgewezen.
Argumenten van partijen
17 Volgens Dongguan heeft het Gerecht niet de juiste rechtsgevolgen verbonden aan het begrip analoge normale waarde, zoals dit in artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening is omschreven.
18 Dientengevolge is het Gerecht volgens Dongguan ten onrechte tot de conclusie gekomen dat een dergelijke analoge normale waarde overeenkomt met het tijdstip waarop de hefboommechanismen de productielijn in China verlaten, hoewel in het bestreden arrest zelf is vastgesteld dat de verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten voor de verkoop in het binnenland en de uitvoer niet door de onderneming in China worden gedragen, maar door verbonden ondernemingen in een land met een markteconomie, namelijk Hongkong.
19 Voorts stelt Dongguan dat uit de punten 38, 50, 60 en 63 van het bestreden arrest, in hun geheel beschouwd, duidelijk blijkt dat de verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten die LECO en WWS in Hong Kong hebben gedragen, verband hielden met de uitvoer en de verkoop in China, en dat niet wordt betwist dat Dongguan geen verkoopkosten in China had. Volgens haar vloeit de schending van artikel 2, lid 10, van de basisverordening rechtstreeks voort uit de gestelde schending van artikel 2, lid 7, sub a, van deze verordening.
20 Volgens Dongguan staat het feit dat LECO en WWS met de verkoop van haar producten waren belast los van de vaststelling van de normale waarde, aangezien deze waarde een analoge normale waarde is en dus niet berust op de door haar gedragen kosten. Het Gerecht heeft dan ook in punt 50 van het bestreden arrest ten onrechte vastgesteld dat bij deze berekening geen rekening kon worden gehouden met kosten voor rechtstreekse verkoop omdat LECO en WWS met de verkoop van de producten van Dongguan belast waren.
21 De vaststelling dat LECO en WWS met de verkoop van de producten van Dongguan waren belast, was daarentegen wel relevant om uit te maken voor welk stadium van de distributieketen van rekwirante de overeenkomstig artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening vastgestelde normale waarde een correcte analoge normale waarde was. Volgens Dongguan is het stadium in de distributieketen van rekwirante dat in casu in aanmerking moet worden genomen, het stadium „af WWS”. Dit komt overeen met de normale waarde waartegen het product voor het eerst aan een niet-verbonden persoon op de binnenlandse markt wordt geleverd.
22 De Raad merkt op dat de feiten waarop dit middel betrekking heeft, niet worden betwist. Hij stelt dat de instellingen op basis van gegevens van de communautaire producenten de normale waarde op correcte wijze „af fabriek” hebben berekend, voor zover het gaat om een onderneming die geen rechtstreekse verkoopkosten droeg voor de verkoop van haar producten op de binnenlandse markt. De uitvoerprijs is bepaald op basis van de prijzen die WWS aan de eerste onafhankelijke afnemer in rekening heeft gebracht.
23 De instellingen hebben evenwel overeenkomstig artikel 2, lid 10, sub i, van de basisverordening de door Dongguan gehanteerde uitvoerprijs gecorrigeerd, omdat zij haar producten niet rechtstreeks aan onafhankelijke afnemers verkocht, maar voor al haar exportverkopen een beroep deed op twee verbonden verkoopmaatschappijen, namelijk LECO en WWS. Dienaangaande zijn de instellingen tot de conclusie gekomen dat de relatie van Dongguan met haar verbonden ondernemingen LECO en WWS vergelijkbaar was met een relatie met een op commissiebasis werkende handelaar.
24 Volgens de Raad heeft Dongguan niet gesteld dat de instellingen artikel 2, leden 1 tot en met 3 en 7, sub a, van de basisverordening hebben geschonden omdat zij de verkoopkosten niet in de berekende normale waarde hebben meegeteld. Ten slotte is hij van mening dat de stelling dat artikel 2, lid 10, sub i, van de basisverordening is geschonden, uitsluitend berust op het argument dat de normale waarde met het stadium „af WWS” overeenkomt. Volgens hem is dit argument kennelijk onjuist en hoe dan ook niet-ontvankelijk, voor zover hiermee wordt opgekomen tegen de feitelijke vaststellingen van het Gerecht. Bijgevolg moet de stelling dat artikel 2, lid 10, sub i, van de basisverordening is geschonden eveneens worden verworpen.
Beoordeling door het Hof
25 De normale waarde en de uitvoerprijs worden volgens verschillende regels bepaald en de betrokken verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten hoeven dus niet noodzakelijkerwijs in beide gevallen op dezelfde wijze te worden bepaald. Eventuele verschillen tussen de twee waarden zouden evenwel in aanmerking kunnen worden genomen in het kader van de in artikel 2, lid 10, van de basisverordening bedoelde correcties (zie in die zin arrest van 7 mei 1991, Nakajima/Raad, C‑69/89, Jurispr. blz. I‑2069, punt 73).
26 Dienaangaande blijkt zowel uit de letter als uit de opzet van artikel 2, lid 10, van de basisverordening dat de uitvoerprijs of de normale waarde alleen mag worden gecorrigeerd om rekening te houden met verschillen in factoren die van invloed zijn op de prijzen en dus op de vergelijkbaarheid ervan, dit om te verzekeren dat de vergelijking in hetzelfde handelsstadium wordt gemaakt.
27 In de onderhavige zaak stelt Dongguan in wezen dat de overeenkomstig artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening vastgestelde analoge normale waarde moet overeenstemmen met de normale waarde die in casu met het stadium „af WWS” overeenkomt. Aangezien het betrokken land in casu geen markteconomie heeft, moet de overeenkomstig artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening vastgestelde analoge normale waarde overeenstemmen met een dergelijke onder markteconomische voorwaarden vastgestelde normale waarde, die overeenkomt met de normale waarde waartegen het product aan de eerste niet-verbonden persoon op de binnenlandse markt, dat wil zeggen aan de eerste onafhankelijke afnemer, wordt geleverd.
28 Volgens Dongguan heeft het Gerecht in het bestreden arrest aanvaard dat de uitvoerprijs is verlaagd tot een niveau dat aan het stadium „af WWS” voorafgaat, en heeft het bijgevolg inbreuk gemaakt op het beginsel van de symmetrie tussen de normale waarde en de uitvoerprijs, die met het stadium „af WWS” zou moeten overeenkomen. Dit vormt een schending van artikel 2, lid 10, van de basisverordening.
29 In de onderhavige zaak blijkt uit punt 18 van de considerans van de definitieve verordening dat de normale waarde is vastgesteld op basis van gegevens die door de communautaire producenten zijn verstrekt. Volgens punt 21 van de considerans van de definitieve verordening is de in de punten 41 en 42 van de considerans van de voorlopige verordening beschreven methode bevestigd.
30 Volgens punt 22 van de considerans van de definitieve verordening zijn de normale waarde en de uitvoerprijs van de hefboommechanismen „af fabriek” en in hetzelfde handelsstadium vergeleken. Volgens dit punt heeft de Raad overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening met het oog op een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs rekening gehouden met verschillen tussen factoren waarvan is beweerd en aangetoond dat zij van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid ervan. Hij heeft correcties toegepast voor de kosten die zijn gemaakt om de hefboommechanismen van Dongguan op de communautaire markt te brengen.
31 Dongguan stelt evenwel in de eerste plaats, onder verwijzing naar het reeds aangehaalde arrest Brother Industries/Raad (punten 15‑18), dat de voornaamste vraag in casu is met welk stadium van haar distributieketen de overeenkomstig artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening vastgestelde analoge normale waarde – dat wil zeggen een onder markteconomische voorwaarden vastgestelde normale waarde – moet overeenstemmen.
32 Uit dat arrest blijkt weliswaar dat de berekening van de normale waarde tot doel heeft, de verkoopprijs van een product te bepalen zoals deze zou zijn indien dit product in het land van oorsprong of uitvoer werd verkocht, zodat het gebruik van de wederverkoopprijzen van de verbonden distributeur in dat specifieke geval gerechtvaardigd was omdat deze prijzen konden worden beschouwd als de prijzen waartegen het product voor het eerst in het kader van normale handelstransacties werd verkocht, maar in die zaak had het betrokken land een markteconomie, terwijl de normale waarde van de betrokken hefboommechanismen in de onderhavige zaak overeenkomstig artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening is berekend op de in punt 27 van het onderhavige arrest beschreven redelijke grondslag, omdat het betrokken land geen markteconomie heeft.
33 Hoewel artikel 2, lid 1, van de basisverordening als algemeen beginsel vooropstelt dat de normale waarde normaal is gebaseerd op de prijzen die door onafhankelijke afnemers in het land van uitvoer in het kader van normale handelstransacties worden betaald of dienen te worden betaald, blijkt noch uit de letter noch uit de opzet van artikel 2, lid 7, van deze verordening, noch uit de rechtspraak van het Hof dat, wanneer de instellingen van de Unie de normale waarde „op een andere redelijke grondslag” bepalen, deze normale waarde steeds moet overeenstemmen met de normale waarde waartegen het product aan de eerste onafhankelijke afnemer wordt geleverd. Een dergelijke uitlegging zou afbreuk doen aan de beoordelingsvrijheid van de instellingen van de Unie bij de bepaling van de normale waarde voor landen zonder markteconomie (zie in die zin arrest Ikea Wholesale, reeds aangehaald, punt 40).
34 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door artikel 2, lid 3, van de basisverordening, dat slechts betrekking heeft op de berekening van de normale waarde voor een exportonderneming die in een markteconomie werkzaam is.
35 Gelet op het voorgaande moet worden erkend dat de instellingen de normale waarde op correcte wijze „af fabriek” hebben berekend, omdat de betrokken onderneming geen rechtstreekse verkoopkosten draagt voor haar verkopen op de binnenlandse markt.
36 In punt 51 van het bestreden arrest is het Gerecht tot de conclusie gekomen dat bij de vergelijking van de normale waarde en de uitvoerprijs van de hefboommechanismen van Dongguan een onevenwichtigheid zou zijn ontstaan indien de instellingen niet overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening een correctie hadden toegepast door de verkoopkosten die worden gemaakt om de hefboommechanismen van Dongguan op de communautaire markt te brengen, op de uitvoerprijs in mindering te brengen, omdat de verkoopkosten bij de bepaling van de normale waarde niet zijn meegeteld.
37 Om een dergelijke correctie te kunnen doorvoeren, moeten de instellingen zich baseren op elementen, zoals de verkoopkosten die worden gemaakt om de hefboommechanismen van Dongguan op de communautaire markt te brengen, die in zekere mate van invloed kunnen zijn op de vergelijkbaarheid van de uitvoerprijs en de normale waarde.
38 In casu hebben de instellingen de uitvoerprijs bepaald op basis van de prijzen die met Dongguan verbonden ondernemingen aan de eerste onafhankelijke afnemer in rekening hebben gebracht. Het Gerecht preciseert in punt 45 van het bestreden arrest dat door Dongguan wordt erkend en door de instellingen wordt bevestigd dat de uitvoerprijs van haar hefboommechanismen overeenstemt met de prijzen die WWS aan onafhankelijke afnemers op de communautaire markt in rekening brengt.
39 Bijgevolg zijn de berekende normale waarde en de uitvoerprijs in casu in twee verschillende handelsstadia bepaald, wat een correctie rechtvaardigde.
40 Derhalve moet worden vastgesteld dat de instellingen van de Unie, overeenkomstig het bij artikel 2, lid 10, sub i, van de basisverordening opgelegde vereiste van een billijke vergelijking, bij de bepaling van de dumpingmarge de normale waarde en de uitvoerprijs in hetzelfde handelsstadium hebben kunnen vergelijken door bij de vaststelling van de correctie overeenkomstig deze bepaling rekening te houden met het feit dat Dongguan niet rechtstreeks aan onafhankelijke afnemers heeft verkocht. Deze correctie heeft tot gevolg dat geen van deze twee waarden rechtstreekse verkoopkosten omvat.
41 Bijgevolg hebben noch de instellingen noch het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste opvatting door overeenkomstig artikel 2, lid 10, sub i, van de basisverordening de betrokken correctie door te voeren.
42 Gelet op een en ander moet het enige middel van Dongguan worden verworpen.
Kosten
43 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat krachtens artikel 118 van dit Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd. Aangezien Dongguan in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Raad en IML worden verwezen in de kosten. Overeenkomstig artikel 69, lid 4, dat ingevolge voornoemd artikel 118 eveneens van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, draagt de Commissie, interveniënte in eerste aanleg, haar eigen kosten.
Het Hof (Derde kamer) verklaart:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Dongguan Nanzha Leco Stationery Mfg. Co. Ltd wordt verwezen in haar eigen kosten, alsook in die van de Raad van de Europese Unie en IML Industria Meccanica Lombarda Srl.
3) De Europese Commissie draagt haar eigen kosten.
ondertekeningen
* Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy