Zaak C‑537/09
Ralph James Bartlett e.a.
tegen
Secretary of State for Work and Pensions
[verzoek van het Upper Tribunal (Verenigd Koninkrijk) om een prejudiciële beslissing]
„Prejudiciële verwijzing – Verordening (EEG) nr. 1408/71 – ‚Mobiliteitsbestanddeel’ van onderhoudsuitkering voor gehandicapten (‚disability living allowance’) – Afzonderlijke prestatie – Bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie – Niet-exporteerbaarheid”
Samenvatting van het arrest
1. Sociale zekerheid van migrerende werknemers – Bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties – Begrip
(Verordening nr. 1408/71 van de Raad, art. 4, lid 2 bis, en bijlage II bis)
2. Sociale zekerheid van migrerende werknemers – Bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties – Begrip
(Art. 48 VWEU; verordening nr. 1408/71 van de Raad, art. 10 bis)
1. Artikel 4, lid 2 bis, van verordening nr. 1408/71 in de bij verordening nr. 118/97 gewijzigde en bijgewerkte versie, zoals gewijzigd bij verordening nr. 631/2004, en van verordening nr. 1408/71 zoals gewijzigd bij verordening nr. 647/2005, moet aldus worden uitgelegd dat het „mobiliteitsbestanddeel” van de onderhoudsuitkering voor gehandicapten een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie in de zin van die bepaling is, die is vermeld in bijlage II bis bij die verordeningen.
(cf. punt 33, dictum 1)
2. Bij het onderzoek van artikel 10 bis van verordening nr. 1408/71 in de bij verordening nr. 118/97 gewijzigde en bijgewerkte versie, zoals gewijzigd bij verordening nr. 631/2004, en van verordening nr. 1408/71 zoals gewijzigd bij verordening nr. 647/2005 is niet gebleken van feiten of omstandigheden die, voor zover op grond van dat artikel de toekenning van het „mobiliteitsbestanddeel” van een onderhoudsuitkering voor gehandicapten waarin een nationale wettelijke regeling voorziet, afhankelijk kan worden gesteld van een voorwaarde van woonplaats en verblijf in de betrokken lidstaat. kunnen afdoen aan de geldigheid van dat artikel ten aanzien van de regels inzake het vrije verkeer van personen.
De bepalingen van verordening nr. 1408/71 betreffende de opheffing van de bepalingen inzake de woonplaats vormen immers maatregelen houdende toepassing van artikel 48 VWEU, die zijn genomen om op het gebied van de sociale zekerheid het door artikel 45 VWEU gewaarborgde vrije verkeer van werknemers tot stand te brengen. Wat de in bijlage II bis bij verordening nr. 1408/71 vermelde bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties betreft, mag de wetgever van de Unie in het kader van de tenuitvoerlegging van artikel 48 VWEU bepalingen vaststellen die afwijken van het beginsel van de exporteerbaarheid van de socialezekerheidsuitkeringen. Met name mag voor de toekenning van uitkeringen die nauw verband houden met de sociale omgeving, de voorwaarde worden gesteld dat de begunstigde in de staat van het bevoegde orgaan woont.
(cf. punten 38, 40, 42, dictum 2)
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
5 mei 2011 (*)
„Prejudiciële verwijzing – Verordening (EEG) nr. 1408/71 – ‚Mobiliteitsbestanddeel’ van onderhoudsuitkering voor gehandicapten (‚disability living allowance’) – Afzonderlijke prestatie – Bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie – Niet-exporteerbaarheid”
In zaak C‑537/09,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Upper Tribunal (Verenigd Koninkrijk) bij beslissing van 15 december 2009, ingekomen bij het Hof op 21 december 2009, in de procedure
Ralph James Bartlett,
Natalio Gonzalez Ramos,
Jason Michael Taylor
tegen
Secretary of State for Work and Pensions,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: J.‑C. Bonichot (rapporteur), kamerpresident, K. Schiemann, L. Bay Larsen, C. Toader en E. Jarašiūnas, rechters,
advocaat-generaal: J. Mazák,
griffier: R. Şereş, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 16 december 2010,
gelet op de opmerkingen van:
– N. Gonzalez Ramos, vertegenwoordigd door S. Penfold, solicitor, en S. Cox, barrister,
– de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door L. Seeboruth en S. Ossowski als gemachtigden, bijgestaan door T. Ward, barrister,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door N. Yerrell en V. Kreuschitz als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 4, lid 2 bis, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB 1997, L 28, blz. 1) gewijzigde en bijgewerkte versie, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 631/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 (PB L 100, blz. 1; hierna: „verordening nr. 1408/71”), en van verordening nr. 1408/71 in die redactie, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 647/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2005 (PB L 117, blz. 1; hierna: „gewijzigde verordening nr. 1408/71”), en de geldigheid van artikel 10 bis van verordening nr. 1408/71 en de gewijzigde verordening nr. 1408/71.
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van gedingen tussen R. J. Bartlett, N. Gonzalez Ramos en J. M. Taylor enerzijds en de Secretary of State for Work and Pensions anderzijds betreffende de intrekking van hun recht op het „mobiliteitsbestanddeel” van de onderhoudsuitkering voor gehandicapten („disability living allowance”; hierna: „DLA”) op grond dat zij niet meer voldoen aan de voorwaarden van verblijf en woonplaats in Groot-Brittannië.
Toepasselijke bepalingen
Recht van de Unie
3 Volgens artikel 1, sub t, van verordening nr. 1408/71 en van de gewijzigde verordening nr. 1408/71:
„worden onder ‚prestaties’, ‚uitkeringen’, ‚verstrekkingen’ [...] verstaan alle prestaties, uitkeringen, verstrekkingen, pensioenen en renten, met inbegrip van alle bedragen ten laste van de openbare middelen, verhogingen in verband met aanpassing aan het loon- of prijsniveau of aanvullende uitkeringen, zulks behoudens het bepaalde in titel III, alsmede de als afkoopsom uitgekeerde bedragen welke in de plaats kunnen treden van de pensioenen of renten, en de terugstortingen van premies of bijdragen”.
4 Artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1408/71 en van de gewijzigde verordening nr. 1408/71 bepaalt:
„Deze verordening is van toepassing op alle wettelijke regelingen betreffende de volgende takken van sociale zekerheid:
a) prestaties bij ziekte en moederschap;
b) prestaties bij invaliditeit, met inbegrip van die tot instandhouding of verbetering van de verdiencapaciteit;
[...]”
5 Artikel 4, lid 2 bis, van verordening nr. 1408/71 luidt:
„Deze verordening is van toepassing op de bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties die vallen onder een andere wetgeving of een ander stelsel dan bedoeld in lid 1 of dan die krachtens lid 4 zijn uitgesloten, wanneer deze prestaties bestemd zijn:
a) ofwel om, bij wijze van vervangende, aanvullende of bijkomende prestatie, de gebeurtenissen te dekken die onder de in lid 1, sub a tot en met h, bedoelde takken van sociale zekerheid vallen;
b) ofwel uitsluitend voor de specifieke bescherming van gehandicapten.”
6 Artikel 4, lid 2 bis, van de gewijzigde verordening nr. 1408/71 luidt:
„Dit artikel is van toepassing op bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties waarop wetgeving van toepassing is die, wegens haar personele werkingssfeer, doelstellingen en/of de voorwaarden voor het ingaan van een recht, kenmerken heeft van zowel de in lid 1, bedoelde socialezekerheidswetgeving als van de bijstand.
‚Bijzondere niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties’ zijn prestaties die:
a) bedoeld zijn:
i) voor de extra, aanvullende of bijkomende dekking van de gebeurtenissen in de in lid 1, vermelde takken van de sociale zekerheid en om de betrokken personen een minimum voor levensonderhoud te garanderen in verhouding tot de economische en sociale situatie van de betrokken lidstaat,
of
ii) om uitsluitend personen met een handicap een bijzondere bescherming te bieden, die nauw aansluit bij hun sociale omstandigheden in de betrokken lidstaat,
en
b) uitsluitend worden gefinancierd door de verplichte belastingen ter dekking van de algemene openbare uitgaven en waarvoor de voorwaarden voor de toekenning en berekening niet afhankelijk zijn van de betaling van enige premie of bijdrage door de betrokkene. Prestaties ter aanvulling van op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties mogen evenwel niet alleen om die reden als op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties worden beschouwd,
en
c) zijn opgenomen in bijlage II bis.”
7 Artikel 10, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 1408/71 en van de gewijzigde verordening nr. 1408/71 luidt:
„Tenzij in deze verordening anders is bepaald, kunnen de uitkeringen bij invaliditeit en ouderdom of de uitkeringen aan nagelaten betrekkingen, de renten bij arbeidsongevallen of beroepsziekten en de uitkeringen bij overlijden, verkregen op grond van een wettelijke regeling van één of meer lidstaten, op generlei wijze worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurd verklaard op grond van het feit dat de rechthebbende op het grondgebied van een andere lidstaat woont dan die, op het grondgebied waarvan zich het orgaan bevindt dat deze uitkering verschuldigd is.”
8 Artikel 10 bis, lid 1, van verordening nr. 1408/71 en van de gewijzigde verordening nr. 1408/71 preciseert evenwel dat de bepalingen van artikel 10 en van titel III niet van toepassing zijn op de in artikel 4, lid 2 bis, van die verordeningen bedoelde bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties, en dat de betrokken personen deze prestaties uitsluitend ontvangen op het grondgebied van de lidstaat waar zij wonen en krachtens de wetgeving van die lidstaat, voor zover deze prestaties zijn vermeld in bijlage II bis van die verordeningen.
9 De DLA wordt genoemd in bijlage II bis bij verordening nr. 1408/71 en bij de gewijzigde verordening nr. 1408/71, waarnaar wordt verwezen in artikel 10 bis, lid 1, van die verordeningen.
Nationaal recht
10 Section 63 van de Social Security Contributions and Benefits Act 1992 (wet inzake socialezekerheidspremies en -uitkeringen; hierna: „wet van 1992”) luidt:
„Niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties uit hoofde van deel III van deze wet zijn de volgende:
a) de verzorgingstoelage voor gehandicapten;
b) de toelage voor ernstig gehandicapten (met leeftijdgebonden toeslag en verhoging wegens meerder‑ en minderjarige personen ten laste);
c) de zorgtoelage (met verhoging wegens meerderjarige personen ten laste);
d) [de DLA];
[...]”
11 Section 71 van de wet van 1992, met als opschrift „Onderhoudsuitkering voor gehandicapten”, omschrijft de DLA-regeling als volgt:
„1) [De DLA] bestaat uit een zorgbestanddeel en een mobiliteitsbestanddeel.
2) Het recht op [DLA] kan bestaan uit een recht op een van deze bestanddelen of op beide bestanddelen.
3) Eén bestanddeel kan of beide bestanddelen kunnen worden toegekend voor bepaalde of voor onbepaalde tijd, maar indien het recht bestaat uit beide bestanddelen [van de DLA], kunnen deze niet worden toegekend voor verschillende perioden.
4) Het weekbedrag van de [DLA] over een week waarover een van beide bestanddelen is toegekend, is het passende weekbedrag voor dat bestanddeel, zoals vastgesteld overeenkomstig deze wet of uitvoeringsbepalingen daarvan.
5) Het weekbedrag van de [DLA] over een week waarover beide bestanddelen zijn toegekend, is de som van de passende weekbedragen voor deze twee bestanddelen, zoals dienovereenkomstig vastgesteld.
6) Recht op [DLA] bestaat eerst indien de aanvrager aantoont dat hij voldoet aan de voorwaarden inzake woonplaats en verblijf in Groot-Brittannië.”
12 Section 73 van de wet van 1992 preciseert de voorwaarden voor toekenning van het mobiliteitsbestanddeel van de DLA:
„1) Indien is voldaan aan het bepaalde in deze wet, bestaat recht op het mobiliteitsbestanddeel van de [DLA] voor elk tijdvak waarin de rechthebbende de relevante leeftijd heeft bereikt, mits hij gedurende de gehele periode:
a) een lichamelijke handicap heeft van dien aard dat hij niet of nagenoeg niet in staat is tot lopen; of
b) onder lid 2 van deze bepaling valt; of
c) onder lid 3 van deze bepaling valt; of
d) in staat is tot lopen maar zo ernstig lichamelijk dan wel geestelijk gehandicapt is dat hij, afgezien van zijn eventueel vermogen om onbegeleid gebruik te maken van hem bekende routes, meestentijds niet in staat is, buitenshuis van deze vaardigheid gebruik te maken zonder leiding of toezicht van een ander.
1 A) In lid 1 is ‚de relevante leeftijd’:
a) voor de voorwaarden genoemd sub a, b, of c, van dat lid: de leeftijd van drie jaar;
b) voor de voorwaarden genoemd sub d van dat lid: de leeftijd van vijf jaar.
2) Onder dit lid valt degene die:
a) zowel doof als blind is; en
b) voldoet aan de overige te stellen voorwaarden.
3) Onder dit lid valt degene die:
a) ernstig geestelijk gehandicapt is;
b) ernstige gedragsproblemen vertoont; en
c) voldoet aan beide voorwaarden van Section 72, lid 1, sub b en c.
[...]
8) Geen recht op het mobiliteitsbestanddeel over een bepaalde periode bestaat, tenzij de toestand van de rechthebbende gedurende het grootste deel van deze periode zodanig is dat hij van tijd tot tijd gebruik kan maken van verbeterde voortbewegingsfaciliteiten.
9) Geen recht op het mobiliteitsbestanddeel van de [DLA] bestaat, tenzij:
a) gedurende:
i) de gehele periode van drie maanden onmiddellijk voorafgaande aan de datum waarop dit bestanddeel voor het eerst zal worden toegekend; of
ii) een andere eventueel voor te schrijven gehele periode van drie maanden, is voldaan of waarschijnlijk wordt voldaan aan een of meer van de voorwaarden genoemd in lid 1, sub a tot en met d; en
b) waarschijnlijk zal worden voldaan aan een of meer van deze voorwaarden:
i) gedurende de gehele periode van zes maanden die op die datum begint; of
ii) (indien zijn overlijden wordt verwacht binnen de periode van zes maanden die op die datum begint) gedurende de gehele periode die op deze datum begint en die eindigt met zijn overlijden.
[...]
10) Twee weekbedragen van het mobiliteitsbestanddeel worden vastgesteld.
[...]”
13 De Social Security (Disability Living Allowance) Regulations 1991 (socialezekerheidsverordening betreffende de onderhoudsuitkering voor gehandicapten van 1991; hierna: „verordening van 1991”) preciseert met name in Regulation 2, lid 1, sub a, de in Section 71, lid 6, van de wet van 1992 gestelde voorwaarden van woonplaats en verblijf in Groot-Brittannië.
Hoofdgedingen en prejudiciële vragen
14 De hoofdgedingen betreffen beroepen van Bartlett, Gonzalez Ramos en Taylor tot nietigverklaring van besluiten waarbij de Secretary of State for Work and Pensions hun recht op DLA heeft ingetrokken op grond dat zij niet langer voldoen aan de voorwaarden van woonplaats en verblijf in Groot-Brittannië. Die besluiten dateren van 13 mei 2005, 28 februari 2002 en 8 september 2005.
15 De bevoegde rechters hebben verzoekers’ beroepen in eerste aanleg afgewezen. Het Upper Tribunal, waarbij de drie geschillen aanhangig zijn gemaakt, is van oordeel dat het „zorgbestanddeel” van de DLA overeenkomstig het arrest van het Hof van 18 oktober 2007, Commissie/Parlement en Raad (C‑299/05, Jurispr. blz. I‑8695), moet worden beschouwd als een prestatie bij ziekte in de zin van de gewijzigde verordening nr. 1408/71, waarvan de toekenning derhalve niet van dergelijke voorwaarden afhankelijk kan worden gesteld.
16 Wat het „mobiliteitsbestanddeel” van deze prestatie betreft, meent het Upper Tribunal dat, nu de toekenning ervan niet afhankelijk is van een criterium inzake bestaansmiddelen en het geen bestaansminimum garandeert, dit veel meer overeenstemming vertoont met een socialezekerheidsuitkering dan met een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie.
17 Het Upper Tribunal beklemtoont dat het Hof in het arrest Commissie/Parlement en Raad hoe dan ook enkel uitspraak heeft gedaan over de gewijzigde verordening nr. 1408/71, die van toepassing is vanaf 5 mei 2005, en dat dat arrest derhalve niet kan vooruitlopen op de uitlegging van verordening nr. 1408/71.
18 Daarop heeft het Upper Tribunal de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) a) Is het mogelijk om, met betrekking tot perioden waarop [verordening nr. 1408/71] van toepassing is, het mobiliteitsbestanddeel van de [DLA] in de zin van Sections 71 tot en met 76 van de [wet van 1992] afzonderlijk van de [DLA] als geheel in te delen in de categorie van hetzij de socialezekerheidsuitkeringen in de zin van artikel 4, lid 1, van die verordening, hetzij de bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties in de zin van artikel 4, lid 2 bis, hetzij nog anders?
b) Zo ja, in welke categorie moet dit bestanddeel dan worden ingedeeld?
c) Zo nee, in welke categorie moet de [DLA] dan worden ingedeeld?
d) Indien het antwoord op de vraag sub b of sub c indeling in de categorie van de socialezekerheidsuitkeringen is, is de in geding zijnde uitkering dan een prestatie bij ziekte in de zin van artikel 4, lid 1, sub a, [van verordening nr. 1408/71] of een prestatie bij invaliditeit in de zin van artikel 4, lid 1, sub b[, van die verordening]?
e) Maakt het voor de antwoorden op bovenstaande vragen verschil dat de werking van het arrest [Commissie/Parlement en Raad, reeds aangehaald] in punt 2 van het dictum in de tijd is beperkt?
2) a) Is het mogelijk om, met betrekking tot perioden waarop de [gewijzigde verordening nr. 1408/71] van toepassing is, het mobiliteitsbestanddeel van de [DLA] in de zin van Sections 71 tot en met 76 van de [wet van 1992] afzonderlijk van de [DLA] als geheel in te delen in de categorie van hetzij de socialezekerheidsuitkeringen in de zin van artikel 4, lid 1, van die verordening, hetzij de bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties in de zin van artikel 4, lid 2 bis, hetzij nog anders?
b) Zo ja, in welke categorie moet dit bestanddeel dan worden ingedeeld?
c) Zo nee, in welke categorie moet de [DLA] dan worden ingedeeld?
d) Indien het antwoord op de vraag sub b of sub c indeling in de categorie van de socialezekerheidsuitkeringen is, is de in geding zijnde uitkering dan een prestatie bij ziekte in de zin van artikel 4, lid 1, sub a, [van de gewijzigde verordening nr. 1408/71] of een prestatie bij invaliditeit in de zin van artikel 4, lid 1, sub b[, van die verordening]?
3) Indien de antwoorden op de bovenstaande vragen als uitkomst hebben dat het mobiliteitsbestanddeel moet worden ingedeeld in de categorie van de bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties, is er dan enig ander voorschrift of beginsel van gemeenschapsrecht relevant voor de vraag of het Verenigd Koninkrijk zich kan beroepen op een of meer van de woonplaats‑ en verblijfsvoorwaarden in Regulation 2, lid 1, sub a, van de [verordening van 1991] in omstandigheden als die van de onderhavige gevallen?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
De eerste twee vragen
19 Met zijn eerste twee vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 4, lid 2 bis, van verordening nr. 1408/71 en van de gewijzigde verordening nr. 1408/71 aldus moet worden uitgelegd dat het „mobiliteitsbestanddeel” van de DLA een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie in de zin van die bepaling is.
20 Voor de beantwoording van die vragen moet allereerst worden uitgemaakt of het „mobiliteitsbestanddeel” van de DLA op zichzelf kan worden beschouwd als een „prestatie” in de zin van artikel 1, sub t, van verordening nr. 1408/71 en de gewijzigde verordening nr. 1408/71.
21 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het Hof in punt 69 van het reeds aangehaalde arrest Commissie/Parlement en Raad heeft geoordeeld dat het „mobiliteitsbestanddeel” van de DLA afzonderlijk kan worden beschouwd, en dat het dus voor vermelding op de lijst van bijlage II bis van de gewijzigde verordening nr. 1408/71 in aanmerking komt, indien het Verenigd Koninkrijk mocht besluiten een uitkering te creëren die slechts dit bestanddeel betreft. Derhalve is het „mobiliteitsbestanddeel” van de DLA op zichzelf een „prestatie” in de zin van artikel 1, sub t, van de gewijzigde verordening nr. 1408/71.
22 Om dezelfde reden geldt dit ook voor verordening nr. 1408/71 in haar eerdere redactie.
23 Bijgevolg kan het „mobiliteitsbestanddeel” van de DLA ook een „prestatie” zijn in de zin van artikel 1, sub t, van verordening nr. 1408/71.
24 Zoals het Hof heeft vastgesteld, staat voorts buiten kijf dat het „mobiliteitsbestanddeel” van de DLA niet op premie- of bijdragebetaling berust (zie in die zin arrest Commissie/Parlement en Raad, reeds aangehaald, punt 74) en een uitkering is.
25 Met betrekking tot de vraag of het „mobiliteitsbestanddeel” van de DLA een bijzonder karakter heeft, heeft het Hof overwogen dat de DLA kan worden geacht een element van „sociale bijstand” te bevatten en dat het „mobiliteitsbestanddeel” van de DLA „zou kunnen worden” beschouwd als een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie die geldig als niet-exporteerbare prestatie zou kunnen voorkomen op de lijst in bijlage II bis bij de gewijzigde verordening nr. 1408/71 (zie arrest Commissie/Parlement en Raad, reeds aangehaald, punten 67 en 74). In die context heeft het Hof, dat de vermelding van de DLA op de lijst in die bijlage nietig heeft verklaard, de gevolgen van die vermelding met betrekking tot uitsluitend het mobiliteitsbestanddeel daarvan voorlopig gehandhaafd zodat binnen een redelijke termijn passende maatregelen kunnen worden getroffen om de vermelding daarvan in voornoemde bijlage te verzekeren (zie in die zin arrest Commissie/Parlement en Raad, reeds aangehaald, punt 75). Daaruit volgt dat het „mobiliteitsbestanddeel” van de DLA volgens het Hof een bijzonder karakter kan hebben in de zin van artikel 4, lid 2 bis, van de gewijzigde verordening nr. 1408/71.
26 Er zij eveneens aan herinnerd dat uit de rechtspraak van het Hof volgt dat het bijzondere karakter van een prestatie wordt omschreven door haar doelstelling (zie met name arrest van 6 juli 2006, Kersbergen-Lap en Dams-Schipper, C‑154/05, Jurispr. blz. I‑6249, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
27 Dienaangaande kan worden opgemerkt dat het „mobiliteitsbestanddeel” van de DLA, zoals zowel de regering van het Verenigd Koninkrijk als de Europese Commissie betogen, strekt tot de specifieke bescherming van gehandicapten in de zin van artikel 4, lid 2 bis, sub b, van verordening nr. 1408/71 en van de gewijzigde verordening nr. 1408/71, aangezien het enkel tot doel heeft, de autonomie en sociale integratie van gehandicapte personen te bevorderen alsook, voor zover mogelijk, om deze personen te helpen een leven te leiden dat vergelijkbaar is met dat van niet-gehandicapte personen. Het is dus de handicap als zodanig die het recht op deze prestatie doet ontstaan en die het, naargelang van de omvang van de mobiliteitsproblemen die de betrokkene ondervindt, mogelijk maakt het bedrag van de uitkering te bepalen.
28 Uit de opmerkingen die ter terechtzitting zijn gemaakt, blijkt ook dat het bedrag van het „mobiliteitsbestanddeel” van de DLA, dat afhankelijk is van de kosten die verband houden met de mobiliteitsproblemen van de betrokkene in de lidstaat in kwestie, nauw samenhangt met de sociale omgeving van die persoon in die staat.
29 Ten overvloede blijkt uit de gegevens in het dossier en de ter terechtzitting gemaakte opmerkingen bovendien dat het „mobiliteitsbestanddeel” van de DLA in de praktijk meestal ten goede komt aan personen met een handicap die hun mobiliteit sterk belemmert en dat daaruit noodzakelijkerwijs volgt dat, ofschoon de nationale regeling geen criterium inzake bestaansmiddelen bevat, die prestatie in de overgrote meerderheid van de gevallen ten goede komt aan personen die wegens hun handicap niet kunnen werken.
30 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat het „mobiliteitsbestanddeel” van de DLA moet worden geacht bijzonder te zijn in de zin van zowel artikel 4, lid 2 bis, van de gewijzigde verordening nr. 1408/71 als van artikel 4, lid 2 bis, van verordening nr. 1408/71.
31 Met betrekking tot de vraag of die prestatie niet meer kan worden geacht te zijn vermeld in bijlage II bis bij de gewijzigde verordening nr. 1408/71, daar het Verenigd Koninkrijk niet binnen de hem door het Hof in het reeds aangehaalde arrest Commissie/Parlement en Raad verleende redelijke termijn de daartoe noodzakelijke maatregelen heeft genomen, zoals Gonzalez Ramos betoogt, volstaat de vaststelling dat die lidstaat hoe dan ook de maatregelen in kwestie heeft vastgesteld. Het „mobiliteitsbestanddeel” van de DLA is immers een van de prestaties die worden genoemd in bijlage X bij verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 200, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 988/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 (PB L 284, blz. 43).
32 Ten slotte kan niet op goede gronden worden gesteld dat het „mobiliteitsbestanddeel” van de DLA niet kan worden geacht te zijn vermeld in bijlage II bis bij verordening nr. 1408/71 nu het daarin niet apart voorkomt, maar via de vermelding van de DLA waarvan het deel uitmaakt, aangezien de DLA in de nationale regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, altijd twee duidelijk onderscheiden bestanddelen heeft gehad.
33 Bijgevolg moet op de eerste twee vragen worden geantwoord dat artikel 4, lid 2 bis, van verordening nr. 1408/71 en van de gewijzigde verordening nr. 1408/71 aldus moet worden uitgelegd dat het „mobiliteitsbestanddeel” van de DLA een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie in de zin van die bepaling is, die is vermeld in bijlage II bis bij die verordeningen.
De derde vraag
34 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen van het Hof te vernemen of artikel 10 bis van verordening nr. 1408/71 en van de gewijzigde verordening nr. 1408/71, voor zover op grond daarvan de toekenning van het mobiliteitsbestanddeel van de DLA, indien dit een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie is in de zin van artikel 4, lid 2 bis, van verordening nr. 1408/71 en van de gewijzigde verordening nr. 1408/71, afhankelijk kan worden gesteld van een voorwaarde van woonplaats en verblijf in Groot-Brittannië, geldig is in het licht van „enig ander voorschrift of beginsel van gemeenschapsrecht”.
35 De verwijzende rechter geeft dus geen enkele aanwijzing over de bepaling of bepalingen van het recht van de Unie aan de hand waarvan deze toetsing zou moeten worden verricht.
36 In een vergelijkbare situatie heeft het Hof gepreciseerd, dat het aan het Hof staat om uit de door de nationale rechter verschafte gegevens en met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing de elementen van het recht van de Unie te putten die, mede gelet op het voorwerp van het hoofdgeding, relevant zijn (zie in die zin arrest van 20 april 1988, Bekaert, 204/87, Jurispr. blz. 2029, punt 7 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37 Gelet daarop moet rekening worden gehouden met de regels inzake het vrij verkeer van werknemers en inzake het burgerschap van de Unie.
38 Met betrekking tot het eerste aspect heeft het Hof reeds geoordeeld dat de bepalingen van verordening nr. 1408/71 betreffende de opheffing van de bepalingen inzake de woonplaats maatregelen houdende toepassing van artikel 48 VWEU vormen, die zijn genomen om op het gebied van de sociale zekerheid het door artikel 45 VWEU gewaarborgde vrije verkeer van werknemers tot stand te brengen, en dat wat de in bijlage II bis bij verordening nr. 1408/71 vermelde bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties betreft, de wetgever van de Unie in het kader van de tenuitvoerlegging van artikel 48 VWEU bepalingen mag vaststellen die afwijken van het beginsel van de exporteerbaarheid van de socialezekerheidsuitkeringen. Met name mag voor de toekenning van uitkeringen die nauw verband houden met de sociale omgeving, de voorwaarde worden gesteld dat de begunstigde in de staat van het bevoegde orgaan woont (zie in die zin arrest van 18 december 2007, Habelt e.a., C‑396/05, C‑419/05 en C‑450/05, Jurispr. blz. I‑11895, punten 78 en 81 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39 Zoals bij de beantwoording van de eerste twee vragen is gepreciseerd, is dat het geval bij het mobiliteitsbestanddeel van de DLA.
40 Bijgevolg moet worden geoordeeld dat artikel 10 bis van verordening nr. 1408/71 en van de gewijzigde verordening nr. 1408/71, voor zover op grond daarvan de toekenning van het „mobiliteitsbestanddeel” van de DLA afhankelijk kan worden gesteld van een voorwaarde van woonplaats en verblijf in Groot-Brittannië, niet onverenigbaar is met het vrij verkeer van personen, met name artikel 48 VWEU.
41 Wat de regels betreffende het burgerschap van de Unie betreft, zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak artikel 21 VWEU, dat bepaalt dat iedere burger van de Unie het recht heeft om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, een bijzondere uitdrukking vindt in artikel 45 VWEU (zie met name arrest van 11 september 2007, Hendrix, C‑287/05, Jurispr. blz. I‑6909, punt 61), en dat derhalve geen uitspraak hoeft te worden gedaan over de toepassing daarvan in het hoofdgeding.
42 Uit een en ander volgt dat bij het onderzoek van de derde vraag niet is gebleken van feiten of omstandigheden die kunnen afdoen aan de geldigheid van artikel 10 bis van verordening nr. 1408/71 in een van de op de hoofdgedingen toepasselijke versies, voor zover op grond daarvan de toekenning van het „mobiliteitsbestanddeel” van de onderhoudsuitkering voor gehandicapten afhankelijk kan worden gesteld van een voorwaarde van woonplaats en verblijf in Groot-Brittannië.
Kosten
43 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 4, lid 2 bis, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 gewijzigde en bijgewerkte versie, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 631/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004, en van verordening nr. 1408/71 in die redactie, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 647/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2005, moet aldus worden uitgelegd dat het „mobiliteitsbestanddeel” van de onderhoudsuitkering voor gehandicapten („disability living allowance”) een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie in de zin van die bepaling is, die is vermeld in bijlage II bis bij die verordeningen.
2) Bij het onderzoek van de derde vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die kunnen afdoen aan de geldigheid van artikel 10 bis van verordening nr. 1408/71 in een van de op de hoofdgedingen toepasselijke versies, voor zover op grond daarvan de toekenning van het „mobiliteitsbestanddeel” van de onderhoudsuitkering voor gehandicapten afhankelijk kan worden gesteld van een voorwaarde van woonplaats en verblijf in Groot-Brittannië.
ondertekeningen
* Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy