4.4.2009
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 82/17
Hogere voorziening ingesteld op 29 januari 2009 door Ralf Schräder tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Zevende kamer) van 19 november 2008 in zaak T-187/06, Ralf Schräder/Communautair Bureau voor plantenrassen
(Zaak C-38/09 P)
(2009/C 82/32)
Procestaal: Duits
Partijen
Rekwirant: Ralf Schräder (vertegenwoordigers: T. Leidereiter en W.-A. Schmidt, advocaten)
Andere partij in de procedure: Communautair Bureau voor plantenrassen (CPVO)
Conclusies
—
vernietiging van het arrest van het Gerecht (Zevende kamer) van 18 november 2008 in zaak T-187/06;
—
toewijzing van de in eerste aanleg ingediende vordering van verzoeker tot vernietiging van de beslissing van de kamer van beroep van het CPVO van 2 mei 2006 (zaak A003/2004);
subsidiair sub 2
—
terugwijzing van de zaak naar het Gerecht van eerste aanleg voor verdere afdoening;
—
verwijzing van het CPVO in alle kosten die zijn opgekomen in de onderhavige procedure, in de procedure voor het Gerecht van eerste aanleg en in de procedure voor de kamer van beroep.
Middelen en voornaamste argumenten
De onderhavige hogere voorziening is gericht tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg houdende verwerping van het beroep dat rekwirant had ingesteld tegen de beslissing van de kamer van beroep van het Communautair Bureau voor plantenrassen betreffende een aanvraag voor een communautair kwekersrecht voor het plantenras „SUMCOL 01”. In het bestreden arrest heeft het Gerecht de beslissing van de kamer van beroep bevestigd, namelijk dat het kandidaat-ras niet duidelijk onderscheidbaar was van het referentieras, dat als algemeen bekend diende te worden beschouwd.
Het eerste middel dat rekwirant ter ondersteuning van zijn hogere voorziening aanvoert, betreft een reeks proceduregebreken. Bij de toetsing van de beslissing van de kamer van beroep heeft het Gerecht vaststellingen gedaan waarvan uit de procedurestukken onmiddellijk blijkt dat zij onjuist zijn. Bovendien heeft het feiten en bewijsmiddelen verdraaid, te strenge eisen gesteld aan het betoog van rekwirant, een tegenstrijdige uitspraak gedaan en het recht van verdediging van rekwirant geschonden. Zo is het Gerecht voorbijgegaan aan grote delen van het betoog en talrijke bewijsaanbiedingen van rekwirant en deze afgewezen om reden dat het betoog te algemeen zou zijn geformuleerd. Daarbij heeft het Gerecht uit het oog verloren dat het rekwirant ten dele objectief onmogelijk was, zijn betoog „concreter” te formuleren. Op deze wijze heeft het Gerecht tegelijk de rechten van verdediging van rekwirant en de beginselen inzake de bewijslast en de bewijslevering geschonden. Voorts heeft het Gerecht het voorwerp van het geding in de procedure voor de kamer van beroep verruimd doordat het het bestreden arrest heeft gemotiveerd op overwegingen die het CPVO noch de kamer van beroep had aangevoerd.
Het tweede middel dat rekwirant in hogere voorziening aanvoert, betreft schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht doordat het bij de uitlegging van artikel 7, lid 2, van verordening (EG) nr. 2100/94 inzake het communautaire kwekersrecht de schriftelijke beschrijving van een ras in de wetenschappelijke literatuur heeft aanvaard als een bewijs van de algemene bekendheid ervan. Verder beroept rekwirant zich op schending van artikel 62 van voornoemde verordening en van artikel 60 van verordening (EG) nr. 1239/95 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad met betrekking tot de procedure voor het Communautair Bureau voor plantenrassen.
Full & Egal Universal Law Academy