20.6.2009
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 141/28
Beroep ingesteld op 1 april 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Koninkrijk België
(Zaak C-120/09)
2009/C 141/50
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: M. van Beek en J.-B. Laignelot, gemachtigden)
Verwerende partij: Koninkrijk België
Conclusies
—
vast te stellen dat het Koninkrijk België, door niet ervoor te zorgen dat artikel 2, sub f, j en k, en bijlage III, punt 4, punt C, van richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen (1) in Waals recht wordt omgezet, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
—
het Koninkrijk België te verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
De Europese Commissie voert twee middelen aan ter ondersteuning van haar beroep.
In de eerste plaats verwijt zij verweerder de begrippen „ondergrondse opslag”, „stortplaatsgas” en „eluaat” van artikel 2, sub f, j en k, van richtlijn 1999/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen niet te hebben omgezet in het recht van het Waalse Gewest. De Commissie benadrukt het belang van deze begrippen, die als sleutelbegrippen voor de toepassing van de richtlijn ook voorkomen in andere bepalingen die zijn vastgesteld op grond en ter uitvoering van deze richtlijn.
In de tweede plaats stelt verzoekster aan de kaak dat naar Waals recht geen bepaling bestaat betreffende de interventiepunten op basis waarvan kan worden aangenomen dat de stortplaats significante nadelige effecten heeft voor de kwaliteit van het grondwater. Het voorschrift van punt 4, punt C, van bijlage III bij de richtlijn, volgens hetwelk een dergelijke bepaling moet worden opgesteld, is van cruciaal belang voor een doeltreffende controle van de kwaliteit van het grondwater en bijgevolg voor de bescherming van het leefmilieu, dat de belangrijkste doelstelling van de richtlijn vormt.
(1) PB L 182, blz. 1.
Full & Egal Universal Law Academy