4.7.2009
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 153/26
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgerichtshof Baden-Württemberg (Duitsland) op 24 april 2009 — Land Baden-Württemberg/Panagiotis Tsakouridis
(Zaak C-145/09)
2009/C 153/48
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Verwaltungsgerichtshof Baden-Württemberg
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Land Baden-Württemberg
Verwerende partij: Panagiotis Tsakouridis
Prejudiciële vragen
1)
Moet het in artikel 28, lid 3, van richtlijn 2004/38/EG (1) van 29 april 2004 (hierna: „de richtlijn”) gebruikte begrip „dwingende redenen van openbare veiligheid” aldus worden uitgelegd dat alleen onomstotelijke bedreigingen van de externe of interne veiligheid van de lidstaat een verwijderingsmaatregel kunnen rechtvaardigen en dat hieronder alleen vallen het voortbestaan van de staat met inbegrip van zijn wezenlijke instellingen, het goed functioneren daarvan, het overleven van de bevolking, de buitenlandse betrekkingen en het vreedzaam samenleven van de volkeren?
2)
Onder welke voorwaarden gaat de verhoogde bescherming tegen verwijdering na een verblijf van tien jaar in de gastlidstaat, als voorzien in artikel 28, lid 3, sub a, van de richtlijn, weer verloren? Gelden in dit verband dezelfde voorwaarden als bepaald in artikel 16, lid 4, van de richtlijn voor het verlies van het duurzame verblijfsrecht?
3)
Voor het geval dat de tweede prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord en artikel 16, lid 4, van de richtlijn van overeenkomstige toepassing is: gaat de verhoogde bescherming tegen verwijdering alleen door tijdsverloop verloren, los van de belangrijkste redenen voor de afwezigheid?
4)
Eveneens voor het geval dat de tweede prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord en artikel 16, lid 4, van de richtlijn van overeenkomstige toepassing is: blijft de verhoogde bescherming tegen verwijdering in stand in geval van een gedwongen terugkeer naar de gastlidstaat in het kader van een strafrechtelijke vervolging voordat de periode van twee jaar is verstreken, ook indien na de terugkeer vooralsnog voor langere tijd geen gebruik kan worden gemaakt van de fundamentele vrijheden?
(1) Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (Voor de EER relevante tekst) (PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77, met rectificaties in PB L 229 van 29.6.2004, blz. 35 en PB L 204 van 4.8.2007, blz. 28).
Full & Egal Universal Law Academy