1.8.2009
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 180/33
Beroep ingesteld op 28 mei 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Republiek Cyprus
(Zaak C-190/09)
2009/C 180/57
Procestaal: Grieks
Partijen
Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: I. Chatzigiannis, A. Margelis)
Verwerende partij: Republiek Cyprus
Conclusies
—
vaststellen dat de Republiek Cyprus, door het gebruik en de verkoop van uit genetisch gemodificeerde planten vervaardigde biobrandstoffen te verbieden en door bepaling 6 van wet nr. 66(I) van 2005 zonder voorafgaande mededeling aan de Europese Commissie uit te vaardigen, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 28 EG en artikel 8, lid 1, van richtlijn 94/34/EG (1);
—
de Republiek Cyprus verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
De Cypriotische wet nr. 66(I) van 2005 „betreffende de bevordering van het gebruik van biobrandstoffen of andere hernieuwbare brandstoffen in het vervoer” vormt de omzetting in Cypriotisch recht van richtlijn 2003/30/EG ter bevordering van het gebruik van biobrandstoffen of andere hernieuwbare brandstoffen in het vervoer. Toch bevat afdeling 6 van de Cypriotische wet een clausule die het gebruik en de verkoop verbiedt van biobrandstoffen die uit genetisch gemodificeerde planten zijn vervaardigd.
De teelt van goedgekeurde variëteiten van genetisch gemodificeerde planten in de Europese Unie is geoorloofd krachtens richtlijn 2001/18/EG en verordening (EG) nr. 1829/2003. De bewerkte biobrandstoffen die uit genetisch gemodificeerde planten worden vervaardigd, vallen echter niet binnen de werkingssfeer van de betrokken wetgevende bepalingen, zodat de verenigbaarheid van de clausule met de artikelen 28 EG tot en met 30 EG moet worden onderzocht.
Wat de schending van de artikelen 28 EG tot en met 30 EG betreft, is de Commissie van mening dat, in de eerste plaats, het Cypriotische verbod niet noodzakelijk is voor de bescherming van een openbaar belang in welke vorm dan ook, en, in de tweede plaats, de nationale regels die op absolute wijze een product verbieden, in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel.
Wat de schending van richtlijn 98/34/EG betreft, is de Commissie van mening dat afdeling 6 van wet nr. 66(I) van 2005 een technisch voorschrift in de zin van artikel 1 vormt en niet onder de uitzondering van artikel 10, lid 1, eerste streepje, van bedoelde richtlijn valt. Bijgevolg waren de Cypriotische autoriteiten verplicht de voormelde bepaling aan de Commissie mee te delen. Aangezien de Cypriotische autoriteiten de bepaling zonder voorafgaande mededeling hebben uitgevaardigd, zijn zij de krachtens artikel 8, lid 1, van richtlijn 98/34/EG op hen rustende verplichting niet nagekomen.
(1) PB L 204 van 21.7.1998, blz. 37.
Full & Egal Universal Law Academy