26.9.2009
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 233/4
Beroep ingesteld op 3 juli 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Bondsrepubliek Duitsland
(Zaak C-244/09)
2009/C 233/07
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: R. Lyal en W. Mölls, gemachtigden)
Verwerende partij: Bondsrepubliek Duitsland
Conclusies
—
vaststellen dat de Bondsrepubliek Duitsland de krachtens artikel 56 EG op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, doordat zij de degressieve afschrijving voor slijting volgens § 7, lid 5, van de wet op de inkomstenbelasting (Einkommensteuergesetz) heeft beperkt tot in het binnenland gelegen gebouwen;
—
de Bondsrepubliek Duitsland verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Het onderhavige beroep betreft de bepalingen van de Duitse wet op de inkomstenbelasting volgens welke de in het kader van de fiscale behandeling van onroerende goederen voorziene zogenoemde degressieve afschrijving voor slijting, te weten de toepassing van hogere dan lineaire afschrijvingspercentages tijdens een eerste fase van de afschrijvingstermijn, tot in het binnenland gelegen gebouwen is beperkt.
Deze verschillende behandeling van in het binnenland en in het buitenland gelegen onroerende goederen druist in tegen het door artikel 56 EG gewaarborgde vrije verkeer van kapitaal. Volgens vaste rechtspraak verzet dit artikel zich tegen alle maatregelen die grensoverschrijdende kapitaalbewegingen benadelen ten opzichte van louter binnenlandse kapitaalbewegingen en daardoor ingezetenen doen besluiten, eerstgenoemde transacties niet te verrichten.
Ingevolge de aan de orde zijnde regeling is de liquiditeitspositie van belastingplichtige investeerders ongunstiger bij een buitenlands onroerend goed dan bij een binnenlands onroerend goed. Dit brengt mee dat investeringen in onroerende goederen die in het buitenland zijn gelegen, in vergelijking met investeringen in binnenlandse onroerende goederen onaantrekkelijker worden en investeerders ervan kunnen worden weerhouden, een onroerend goed in een andere lidstaat te bouwen of te verwerven. De sterkere liquiditeitspositie voor investeringen in binnenlandse onroerende goederen vormt volgens de rechtspraak een belastingvoordeel dat in aanmerking moet worden genomen, voor zover het een vergelijking tussen de respectieve behandeling van louter binnenlandse en grensoverschrijdende situaties betreft.
De werkingssfeer van de gelaakte discriminerende regeling is weliswaar beperkt tot gebouwen waarvoor de bouwaanvraag is ingediend of de koopovereenkomst is gesloten vóór 1 januari 2006, maar daarmee is de beperking van het vrije verkeer van kapitaal niet weggewerkt, aangezien de degressieve afschrijving duurzaam effecten sorteert.
Volgens de Bondsregering is deze beperking evenwel gerechtvaardigd om dwingende redenen van algemeen belang. De litigieuze regeling beoogt de bouw van huurwoningen in Duitsland te bevorderen.
Dienaangaande zij opgemerkt dat volgens vaste rechtspraak de bevordering van de nationale economie geen doelstelling vormt die een beperking van de fundamentele vrijheden kan rechtvaardigen. Zelfs indien de doelstelling van bevordering van de bouw van huurwoningen als niet-economische doelstelling zou worden erkend, zou de strikte beperking van de degressieve afschrijving tot in het binnenland gelegen gebouwen noch noodzakelijk noch evenredig zijn. Aan de bevordering van de bouw van huurwoningen in Duitsland wordt immers geen afbreuk gedaan wanneer de degressieve afschrijving ook voor onroerende goederen in andere lidstaten geldt.
Derhalve heeft de Bondsregering geen rechtvaardigingsgronden aangevoerd die de vastgestelde inbreuk op het vrije verkeer van kapitaal kunnen rechtvaardigen.
Full & Egal Universal Law Academy