26.9.2009
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 233/8
Hogere voorziening ingesteld op 22 juli 2009 door Caisse fédérale du Crédit mutuel Centre Est Europe (CFCMCEE) tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Derde kamer) van 20 mei 2009 in gevoegde zaken T-405/07 en T-406/07, CFCMCEE/BHIM
(Zaak C-282/09 P)
2009/C 233/13
Procestaal: Frans
Partijen
Rekwirante: Caisse fédérale du Crédit mutuel Centre Est Europe (CFCMCEE) (vertegenwoordigers: P. Greffe en L. Paudrat, avocats)
Andere partij in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)
Conclusies
Het arrest van 20 mei 2009 van het Gerecht van eerste aanleg (Derde kamer) vernietigen voor zover daarbij rekwirante’s beroepen gedeeltelijk zijn verworpen en de beslissingen van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt van 10 juli 2007 (zaak R 119/2007-1) en van 12 september 2007 (zaak R 120/2007-1) zijn gehandhaafd, voor zover daarbij de aanvragen voor de gemeenschapsmerken PAYWEB CARD nr. 003861051 en P@YWEB CARD nr. 003861044 zijn geweigerd voor de volgende waren en diensten:
—
„geheugenkaarten of kaarten met microprocessor, magneetkaarten, magneetkaarten of kaarten met microprocessor voor identificatie, magneetkaarten of kaarten met microprocessor voor betaling, creditering of debitering, vooruitbetalingsystemen voor televisietoestellen” van klasse 9,
—
„makelaardij in onroerend goed, ongevallenverzekering, incassodiensten, financiële analyse, verzekering, waardering (schatting) van onroerende goederen, uitgifte van waardebonnen, voorzieningsfonds, wisseltransacties, controle van cheques, uitgifte van reischeques, adviesverlening in financiële zaken, verzekeringsmakelaardij, makelaardij in onroerende goederen, beursmakelaardij, bewaarhouding van waardepapieren, bewaarhouding in brandkluizen, financiële schattingen en expertises (verzekeringen, banken, onroerende goederen), financiële informatie (verzekeringen, banken, onroerende goederen), vermogensbeheer, financiële informatie, invordering van huurgelden, ziekteverzekering, maritieme verzekering, levensverzekering, online financiële-informatiediensten, interactieve financiële-informatiediensten via computer” van klasse 36,
—
„communicatie via computerterminal, overbrenging van ijlboodschappen, verzending van ijlboodschappen, telecommunicatie-informatie, e-maildiensten, verzenden van berichten, verzenden van berichten en beelden via computer, transmissie via satelliet” van klasse 38.
Middelen en voornaamste argumenten
Rekwirante voert in wezen twee middelen aan tot staving van haar hogere voorziening.
Met haar eerste middel betoogt zij dat het Gerecht tekort is geschoten in haar motiveringsplicht — en aldus de artikelen 253 EG en 73 van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het Gemeenschapsmerk (1) heeft geschonden — door de bestreden beslissingen van het BHIM niet wegens een motiveringsgebrek te vernietigen. In deze beslissingen heeft de kamer van beroep van het BHIM immers een algemeen onderzoek van het onderscheidend vermogen van de woordtekens PAYWEB CARD en P@YWEB CARD verricht ten aanzien van de betrokken waren en diensten, zonder zijn beslissing voor elk daarvan te motiveren. Een algemene motivering is echter slechts mogelijk indien de waren en diensten in die mate voldoende rechtstreeks en concreet onderling verbonden zijn dat zij een voldoende homogene categorie of groep vormen, hetgeen in het onderhavige geval kennelijk niet het geval is, nu de waren en diensten waarop de inschrijvingsaanvraag betrekking heeft, verschillende functies vervullen.
Met haar tweede middel betwist rekwirante de beoordeling van het Gerecht dat er een zekere overlapping bestaat van de respectieve werkingssferen van de absolute weigeringsgronden van artikel 7, lid 1, sub b tot en met d, van verordening nr. 40/94. Volgens de rechtspraak van het Hof staat elk van de in artikel 7, lid 1, van deze verordening genoemde gronden voor weigering van inschrijving immers los van de andere en vereist elk een afzonderlijk onderzoek. Het Gerecht heeft aldus wat de waren van klasse 9 betreft blijk gegeven van een onjuiste opvatting bij de toepassing van artikel 7, lid 1, sub b, door geen individueel onderzoek van de weigeringsgrond van deze bepaling te verrichten.
(1) PB 1994, L 11, blz. 1.
Full & Egal Universal Law Academy