16.1.2010
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 11/11
Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Gerechtshof te Amsterdam (Nederland) op 29/07/2009 — Strafzaak tegen X
(Zaak C-297/09)
2010/C 11/20
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Gerechtshof te Amsterdam
Partij in het hoofdgeding
Verweerder: X
Prejudiciële vragen
1.
Valt een situatie waarbij een persoon die het burgerschap van de Europese Unie bezit, en waartegen ernstige bezwaren bestaan dat hoofddoel van het verblijf in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap dan waarvan hij de nationaliteit bezit onder werkingssfeer dan wel het toepassingsgebied van het EG-Verdrag, in het bijzonder onder de bepalingen van de artikelen 12, 18, 43 e.v. en 49 e.v.?
2.
Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend zou luiden ten aanzien van artikel 18 EG-Verdrag:
a)
Dient een bepaling zoals die vervat in artikel 67, lid 2, van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht, voor zover deze toepassing mogelijk maakt van voorlopige hechtenis ten aanzien van personen die onder de werkingssfeer van artikel 18 EG-Verdrag vallen doch een vaste woon- of verblijfplaats hebben in een andere lidstaat dan Nederland, te worden beschouwd als een belemmering van het recht om vrij te reizen en te verblijven als bedoeld in die bepaling?
b)
Indien zulks het geval is, vormt deze bepaling, voor zover deze toepassing van voorlopige hechtenis mogelijk maakt van burgers van de Europese Unie die een vaste woon- of verblijfplaats hebben in een andere lidstaat dan Nederland, vastgesteld het belang van een doeltreffende opsporing, vervolging en rechtspleging, een toegestane rechtvaardiging gebaseerd op objectieve overwegingen van algemeen belang die losstaan van de betrokken persoon en evenredig zijn aan het door het nationale recht rechtmatig nagestreefde doel?
3.
Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend zou luiden ten aanzien van de artikelen 49 e.v. EG-Verdrag, dient een bepaling zoals die vervat in artikel 67, lid 2, van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht, voor zover deze toepassing mogelijk maakt van voorlopige hechtenis ten aanzien van onderdanen van een lidstaat die een vaste woon- of verblijfplaats hebben in een andere lidstaat dan Nederland, te worden beschouwd als een belemmering van het vrije verkeer van diensten als bedoeld in de artikelen 49 e.v. EG-Verdrag aangezien het een discriminatie betreft gebaseerd op het feit dat de verrichter van de diensten niet een vaste woon- of verblijfplaats heeft in het land waar de diensten worden verricht, doch wel in een andere lidstaat van de EG?
4.
Indien het antwoord op één van de vragen 2 en 3 ontkennend dient te luiden, dient een bepaling zoals die vervat in artikel 67, lid 2, van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht, voor zover deze toepassing mogelijk maakt van voorlopige hechtenis ten aanzien van onderdanen van een lidstaat die een vaste woon- of verblijfplaats hebben in een andere lidstaat dan Nederland, te worden beschouwd als een discriminatie op grond van de nationaliteit, als verboden onder de artikelen 12 (algemeen discriminatieverbod binnen de werkingssfeer van het EG-Verdrag), 43 e.v. (verbod van discriminatie gebaseerd op de nationaliteit op het gebied van de vrijheid van vestiging) en 49 e.v. (verbod van discriminatie gebaseerd op de nationaliteit op het gebied van de vrijheid van dienstverlening) EG-Verdrag?
5.
Voor zover het antwoord op één van de vragen 3 en 4 bevestigend dient te luiden, kan een bepaling zoals die vervat in artikel 67, lid 2, van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht, voor zover deze toepassing mogelijk maakt van voorlopige hechtenis ten aanzien van een lidstaat die een vaste woon- of verblijfplaats hebben in een andere lidstaat dan Nederland, vastgesteld het belang van een doeltreffende opsporing vervolgingen rechtspleging, rechtsgeldig worden genomen op de gronden van openbare orde, veiligheid en gezondheid, zoals voorzien in de artikelen 45 tot en met 48 en 55 EG-Verdrag?
Full & Egal Universal Law Academy