7.11.2009
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 267/38
Hogere voorziening ingesteld op 11 augustus 2009 door ACEA SpA tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Achtste kamer — uitgebreid) van 11 juni 2009 in zaak T-297/02, ACEA SpA/Commissie van de Europese Gemeenschappen
(Zaak C-319/09 P)
2009/C 267/69
Procestaal: Italiaans
Partijen
Rekwirante: ACEA SpA (vertegenwoordigers: L. Radicati di Brozolo, A. Giardina en T. Ubaldi, advocaten)
Andere partijen in de procedure: Commissie van de Europese Gemeenschappen, ACSM Como SpA, AEM — Azienda Energetica Metropolitana Torino — SPA
Conclusies
—
het arrest in zaak T-297/02 vernietigen voor zover daarin geen consequenties zijn verbonden aan het verzuim om de verschillende toepassingen van de driejarige vrijstelling van vennootschapsbelasting gedifferentieerd te onderzoeken en de algemene en abstracte kwalificatie van de driejaarlijkse vrijstelling als staatssteun is bevestigd;
—
het arrest vernietigen voor zover daarin de driejarige vrijstelling van vennootschapsbelasting niet als bestaande steun in de zin van artikel 1, sub b-v, van verordening (EG) nr. 659/1999 (1) is gekwalificeerd;
—
het arrest vernietigen voor zover dit de rechtmatigheid van het bevel tot terugvordering in artikel 3 van de beschikking (2) bevestigt;
—
de Commissie in de kosten van beide instanties verwijzen.
Middelen en voornaamste argumenten
Rekwirante roept vier middelen ter ondersteuning van haar vorderingen in.
—
Het eerste middel is ontleend aan een juiste rechtsopvatting bij de toepassing van 88 EG en van verordening (EG) nr. 659/1999, alsmede een motiveringsgebrek van het bestreden arrest met betrekking tot het verzuim de verschillende toepassingen van de driejarige vrijstelling van vennootschapsbelasting in artikel 3, lid 70, van wet nr. 549/1995 en in artikel 66, lid 14, van voorlopig wetbesluit nr. 331/1993, gedifferentieerd te onderzoeken. Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en een motiveringsgebrek waar het, in het licht van de specifieke omstandigheden van het geval en de inlichtingen waarover de Commissie beschikte, geen consequenties heeft verbonden aan het abstracte en onvolledige onderzoek en de daaraan door de Commissie verbonden conclusies in de litigieuze beschikking, onder verwijzing naar de verschillende situaties waarin de belastingvrijstelling van toepassing was.
—
Het tweede middel betreft de onjuiste toepassing van artikel 87, lid 1, EG door het Gerecht en een motiveringsgebrek, voor zover dit de algemene en abstracte kwalificatie van de driejarige vrijstelling van vennootschapsbelasting als staatssteun heeft bevestigd. Meer bepaald heeft het Gerecht geen juist onderzoek verricht naar de omstandigheden van de onderhavige zaak en de veronderstellingen waarop de Commissie de kwalificatie van de desbetreffende maatregel als staatssteun heeft gebaseerd, zoals het evenwel in de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht had moeten doen. Het Gerecht heeft dus de beschikking van de Commissie bevestigd, niettegenstaande dat niet is aangetoond dat, althans met betrekking tot sommige sectoren waarin de vrijstelling is toegepast, aan twee van de in artikel 87, lid 1, EG voorziene voorwaarden niet is voldaan: het vermogen de mededinging te verstoren en het intracommunautaire handelsverkeer ongunstig te beïnvloeden.
—
Het derde middel heeft betrekking op een gebrekkige en tegenstrijdige motivering, alsook een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging en de toepassing van artikel 88, lid 1, EG en van artikel 1, sub b-v, van verordening (EG) nr. 659/1999 als gevolg van de kwalificatie van de driejarige vrijstelling van vennootschapsbelasting als nieuwe steun. Het Gerecht heeft immers geen consequenties verbonden aan de omstandigheid dat in de onderhavige zaak de kwalificatie van bestaande steun, in de zin van artikel 1, sub b-v, van verordening (EG) nr. 659/1999, niet is gehanteerd, ofschoon uit de context en de omstandigheden van de onderhavige zaak voortvloeit dat de kwalificatie als nieuwe steun, althans met betrekking tot sommige sectoren waarin de vrijstelling is toegepast, niet gerechtvaardigd was.
—
Het vierde middel betreft een onjuiste rechtsopvatting en een motiveringsgebrek op het punt van de rechtmatigheid van het bevel tot terugvordering in artikel 3 van de litigieuze beschikking. In het licht van de omstandigheden van de zaak, heeft het Gerecht immers gedwaald door te oordelen dat het bevel tot terugvordering in het beschikkende gedeelte een zo ruim mogelijke reikwijdte mocht hebben en geheel onvoorwaardelijk mocht zijn, ook al bevatte de beschikking enkel een abstracte, generieke en onvolledige beoordeling van de belastingvrijstelling.
(1) Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (PB L 83, blz. 1).
(2) Beschikking van de Commissie van 5 juni 2002 inzake de steunmaatregel betreffende belastingvrijstellingen en leningen tegen gunstige voorwaarden die Italië heeft verstrekt ten gunste van nutsbedrijven waarin de overheid een meerderheidsdeelneming heeft (PB 2003, L 77, blz. 21).
Full & Egal Universal Law Academy