7.11.2009
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 267/40
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de High Court of Justice (England and Wales), Chancery Division, op 12 augustus 2009 — L’Oréal SA, Lancôme parfums et beauté & Cie SNC, Laboratoire Garnier & Cie, L’Oréal (UK) Limited/eBay International AG, eBay Europe SARL, eBay (UK) Limited, Stephan Potts, Tracy Ratchford, Marie Ormsby, James Clarke, Joanna Clarke, Glen Fox, Rukhsana Bi
(Zaak C-324/09)
2009/C 267/71
Procestaal: Engels
Verwijzende rechter
High Court of Justice (England and Wales), Chancery Division
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: L’Oréal SA, Lancôme parfums et beauté & Cie SNC, Laboratoire Garnier & Cie, L’Oréal (UK) Limited
Verwerende partij: eBay International AG, eBay Europe SARL, eBay (UK) Limited, Stephan Potts, Tracy Ratchford, Marie Ormsby, James Clarke, Joanna Clarke, Glen Fox, Rukhsana Bi
Prejudiciële vragen
1)
Zijn testers van parfums en cosmetische middelen (dat wil zeggen monsters die in detailhandelzaken worden gebruikt om producten aan de consument te demonstreren) en „dramming bottles” („doseerflessen”, dat wil zeggen recipiënten waaruit kleine hoeveelheden kunnen worden genomen om als gratis monster aan de consument te geven), die niet bestemd zijn om aan de consument te worden verkocht (en waarop vaak staat dat zij niet worden verkocht of niet afzonderlijk worden verkocht), maar kosteloos worden verstrekt aan de erkende distributeurs van de merkhouder, „in de handel gebracht” in de zin van artikel 7, lid 1, van de Eerste richtlijn 89/104/EEG (1) van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (merkenrichtlijn) en artikel 13, lid 1, van verordening (EG) nr. 40/94 (2) van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (verordening inzake het gemeenschapsmerk)?
2)
Heeft de merkhouder een „gegronde reden” in de zin van artikel 7, lid 2, van de merkenrichtlijn en artikel 13, lid 2, van de verordening inzake het gemeenschapsmerk om zich te verzetten tegen verdere verhandeling van parfums en cosmetische middelen waarvan de dozen (of een andere buitenverpakking) zonder zijn toestemming zijn verwijderd?
3)
Luidt het antwoord op vraag 2 anders indien:
a)
de verwijdering van de dozen (of een andere buitenverpakking) tot gevolg heeft dat de uitgepakte producten niet de informatie dragen die wordt vereist door artikel 6, lid 1, van richtlijn 76/768/EEG (3) van de Raad van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake cosmetische producten (richtlijn inzake cosmetische producten), en in het bijzonder niet de ingrediënten of de uiterste datum van houdbaarheid vermelden?
b)
de omstandigheid dat dergelijke informatie ontbreekt, meebrengt dat het te koop aanbieden of de verkoop van de uitgepakte producten een strafbare handeling vormt in de lidstaat waarin deze producten door derden te koop worden aangeboden of worden verkocht?
4)
Luidt het antwoord op vraag 2 anders indien verdere verhandeling het imago van de producten en dus de reputatie van het merk schaadt of kan schaden? Indien dat het geval is, bestaat voor dit effect een vermoeden of dient de merkhouder het aan te tonen?
5)
Is, wanneer een handelaar die een elektronische markt beheert, het gebruik van een teken dat gelijk is aan een ingeschreven merk als zoekwoord van een zoekmachine-aanbieder verwerft, zodat de zoekmachine het teken aan een gebruiker vertoont in een gesponsorde link naar de website van de beheerder van de elektronische markt, bij de vertoning van het teken in de gesponsorde link sprake van „gebruik” van het teken in de zin van artikel 5, lid 1, sub a, van de merkenrichtlijn en artikel 9, lid 1, sub a, van de verordening inzake het gemeenschapsmerk?
6)
Is, wanneer het aanklikken van de in vraag 5 bedoelde gesponsorde link de gebruiker rechtstreeks leidt naar advertenties of verkoopaanbiedingen voor producten die gelijk zijn aan die waarvoor het merk is ingeschreven onder het teken dat door derden op de website is geplaatst, waarvan, afhankelijk van de status van de respectieve producten, sommige wel en sommige geen inbreuk maken op het merk, sprake van gebruik van het teken door de beheerder van de elektronische markt „voor” de inbreukmakende producten in de zin van artikel 5, lid 1, sub a, van de merkenrichtlijn en artikel 9, lid 1, sub a, van de verordening inzake het gemeenschapsmerk?
7)
Volstaat het, wanneer de producten waarop de reclame of verkoopaanbieding op de in vraag 6 bedoelde website betrekking heeft, ook producten omvatten die niet door de merkhouder of met diens toestemming in de EER in het verkeer zijn gebracht, dat de advertentie of de verkoopaanbieding is gericht tot de consument op het grondgebied waarop het merk bescherming geniet om te kunnen spreken van gebruik dat valt onder artikel 5, lid 1, sub a, van de merkenrichtlijn en artikel 9, lid 1, sub a, van de verordening inzake het gemeenschapsmerk en niet onder artikel 7, lid 1, van de merkenrichtlijn en artikel 13, lid 1, van de verordening inzake het gemeenschapsmerk, of moet de merkhouder aantonen dat de advertentie of de verkoopaanbieding noodzakelijkerwijs meebrengt dat de betrokken producten in het verkeer worden gebracht op het grondgebied waarop het merk bescherming geniet?
8)
Luiden de antwoorden op de vragen 5 tot en met 7 anders indien het door de merkhouder aan de orde gestelde gebruik inhoudt dat het teken op de website van de beheerder van de elektronische markt zelf wordt vertoond, en niet in een gesponsorde link?
9)
Indien het volstaat dat de advertentie of de verkoopaanbieding is gericht de consument op het grondgebied waar het merk bescherming geniet om te kunnen spreken van gebruik dat valt onder artikel 5, lid 1, sub a, van de merkenrichtlijn en artikel 9, lid 1, sub a, van de verordening inzake het gemeenschapsmerk en niet onder artikel 7, lid 1, van de merkenrichtlijn en artikel 13, lid 1, van de verordening inzake het gemeenschapsmerk:
a)
bestaat dit gebruik uit of omvat het de „opslag van de door een afnemer van de dienst verstrekte informatie” in de zin van artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (richtlijn inzake elektronische handel)?
b)
is, indien het gebruik niet uitsluitend bestaat uit activiteiten die onder artikel 14, lid 1, van de richtlijn inzake elektronische handel vallen, maar zulke activiteiten omvat, de beheerder van de elektronische markt vrijgesteld van aansprakelijkheid voor zover het gebruik bestaat uit dergelijke activiteiten en, indien dit het geval is, kan een schadevergoeding of een andere financiële vergoeding worden toegekend met betrekking tot zulk gebruik waarvoor de beheerder niet is vrijgesteld van aansprakelijkheid?
c)
is, in omstandigheden waarin de beheerder van de elektronische markt op de hoogte is van het feit dat bij het adverteren, het te koop aanbieden en het verkopen van producten op zijn website inbreuk is gemaakt op ingeschreven merken, en dat op die ingeschreven merken verder inbreuk kan worden gemaakt door het adverteren, het te koop aanbieden of het verkopen van dezelfde of vergelijkbare producten door dezelfde of andere gebruikers van de website, sprake van „daadwerkelijke kennis” of „besef” in de zin van artikel 14, lid 1, van de richtlijn inzake elektronische handel?
10)
Vereist artikel 11 van richtlijn 2004/48/EG (4) van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten (handhavingsrichtlijn), wanneer een derde de diensten van een tussenpersoon zoals een beheerder van een website heeft gebruikt om inbreuk te maken op een ingeschreven merk, dat de lidstaten er zorg voor dragen dat de merkhouder een rechterlijk bevel kan verkrijgen tegen de tussenpersoon om verdere inbreuken op bedoeld merk te voorkomen en zich zo te verzetten tegen het voortzetten van die specifieke inbreukmakende handeling, en indien dat het geval is, wat is de draagwijdte van het rechterlijk bevel dat moet worden uitgevaardigd?
(1) Eerste richtlijn 89/104/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB L 40, blz. 1).
(2) PB L 11, blz. 1.
(3) Richtlijn 76/768/EEG van de Raad van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake cosmetische producten (PB L 262, blz. 169).
(4) PB L 157, blz. 45.
Full & Egal Universal Law Academy