21.11.2009
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 282/23
Hogere voorziening ingesteld op 20 augustus 2009 door Raad van de Europese Unie tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vierde kamer) van 17 juni 2009 in zaak T-498/04, Zhejiang Xinan Chemical Industrial Group Co. Ltd/Raad van de Europese Unie
(Zaak C-337/09 P)
2009/C 282/41
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirant: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: J.-P. Hix, gemachtigde, G. Berrisch en G. Wolf, Rechtsanwälte)
Andere partijen in de procedure: Zhejiang Xinan Chemical Industrial Group Co. Ltd, Commissie van de Europese Gemeenschappen, Association des Utilisateurs en Distributeurs de l’AgroChimie Européenne (Audace)
Conclusies
—
het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 17 juni 2009 vernietigen;
—
de zaak definitief afdoen door de vordering in haar geheel af te wijzen;
—
subsidiair, de zaak terugverwijzen naar het Gerecht van eerste aanleg; en
—
hoe dan ook verzoekster in eerste aanleg verwijzen in de kosten van de procedure in hogere voorziening en van de procedure voor het Gerecht
Middelen en voornaamste argumenten
Rekwirant betoogt dat het Gerecht van eerste aanleg:
1.
blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de twee voorwaarden van artikel 2, lid 7, sub c, van verordening (EG) nr. 384/96 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („basisverordening”), te weten de vereisten dat een verzoek om de status van marktgericht bedrijf (mb-status) te krijgen voldoende bewijs moet bevatten dat (i) de in die bepaling genoemde besluiten werden „genomen als reactie op marktsignalen van vraag en aanbod” en dat (ii) deze werden genomen „zonder staatsinmenging van betekenis”, als één voorwaarde te behandelen, en de tweede voorwaarde daardoor overbodig te maken;
2.
blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de term „van betekenis” in „staatsinmenging van betekenis” in artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening in die zin uit te leggen dat deze woorden slaan op de overwegingen en motieven die ten grondslag liggen aan de staatsinmenging, dat wil zeggen of deze was gebaseerd op zuiver commerciële overwegingen dan wel op overwegingen die eigen zijn aan de overheid, terwijl voor deze uitlegging geen steun is te vinden in de bewoordingen van die bepaling;
3.
blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de bewijslast feitelijk om te keren door van de Raad te vereisen dat hij, wanneer hij weigert de mb-status te verlenen aan een bedrijf waarin de staat zeggenschap heeft, aantoont dat de in artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening bedoelde besluiten van dat bedrijf waren beïnvloed door overwegingen die eigen zijn aan de overheid en niet door commerciële overwegingen.
4.
blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door tot de slotsom dat de Raad kennelijk onjuist had geoordeeld door vast te stellen dat de Staat aanzienlijke zeggenschap over verzoekster in eerste aanleg uitoefende met betrekking tot de vaststelling van de exportprijzen voor het betrokken product, (i) door de Chinese kamer van koophandel voor importeurs en exporteurs van metalen, mineralen en chemicaliën („CCCMC”) een bodemprijs te laten vaststellen, en exporten die deze prijzen niet in acht namen, te laten controleren en tegenhouden; en (ii) door de bodemprijs te doen naleven middels het tegenhouden van exporthandelingen die niet waren afgestempeld door de CCCMC. In het bijzonder heeft het Gerecht van eerste aanleg blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door vast te stellen dat de Raad de bewijskracht of de toereikendheid in twijfel moest trekken van het door verzoekster in eerste aanleg aangevoerde bewijs, dat het door de CCCMC opgezette en door de Chinese exportautoriteiten gesteunde systeem de mogelijkheden van de exporteurs om hun exportprijzen onafhankelijk vast te stellen, niet daadwerkelijk beperkte.
5.
blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door op basis van alle andere beoordelingen tot de slotsom te komen dat de Raad een kennelijke fout heeft gemaakt door te weigeren verzoekster in eerste aanleg de mb-status toe te kennen.
(1) PB L 56, blz. 1.
Full & Egal Universal Law Academy