21.11.2009
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 282/26
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bezirksgericht Linz (Oostenrijk) op 31 augustus 2009 — Strafzaak tegen Jochen Dickinger en Franz Ömer
(Zaak C-347/09)
2009/C 282/45
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bezirksgericht Linz
Partijen in het hoofdgeding
Jochen Dickinger, Franz Ömer
Prejudiciële vragen
1.
a)
Moeten de artikelen 43 en 49 EG aldus worden uitgelegd dat zij zich in beginsel verzetten tegen een wettelijke regeling van een lidstaat, zoals die van § 3 junctis §§ 14f en 21 van het Oostenrijkse Glücksspielgesetz (kansspelenwet), krachtens welke
—
een concessie voor loterijtrekkingen (bijvoorbeeld loterijen, elektronische loterijen enzovoort) voor de duur van maximaal 15 jaar kan worden verleend aan slechts één enkele concessieaanvrager, die onder meer een in het binnenland gevestigde aandelenvennootschap moet zijn, geen dochtervennootschappen buiten Oostenrijk mag oprichten, over een gestort aandelenkapitaal van ten minste 109 000 000 EUR dient te beschikken, en waarvan op grond van de omstandigheden kan worden verwacht dat hij voor de bondsstaat de hoogste belastingopbrengst kan behalen;
—
een casinoconcessie voor de duur van maximaal 15 jaar kan worden verleend aan slechts twaalf concessieaanvragers, die onder meer in het binnenland gevestigde aandelenvennootschappen moeten zijn, geen dochtervennootschappen buiten Oostenrijk mogen oprichten, over een gestort aandelenkapitaal van minstens 22 000 000 EUR dienen te beschikken, en waarvan op grond van de omstandigheden kan worden verwacht dat zij voor de lagere overheden de hoogste belastingopbrengst kunnen behalen?
Deze vragen rijzen met name gelet op het feit dat Casinos Austria AG houder is van alle twaalf casinoconcessies, die op 18 december 1991 voor de duur van maximaal 15 jaar zijn verleend en intussen zonder openbare aanbesteding of bekendmaking zijn verlengd.
b)
Zo ja, kan een dergelijke regeling dan worden gerechtvaardigd om redenen in verband met het algemene belang dat bestaat bij een beperking van wedactiviteiten, wanneer de concessiehouders in een quasi-monopolistische structuur van hun kant door intensieve investeringen in reclame een expansionistisch beleid voeren op het gebied van kansspelen?
c)
Zo ja, dient de verwijzende rechter bij de toetsing van de evenredigheid van een dergelijke regeling, die beoogt strafbare feiten te voorkomen door de op dit gebied actieve marktdeelnemers aan een controle te onderwerpen en kansspelactiviteiten zo in banen te leiden die onder deze controles vallen, rekening te houden met het feit dat deze regeling eveneens van toepassing is op grensoverschrijdende dienstaanbieders, die in de lidstaat van vestiging toch al zijn onderworpen aan de aan hun concessie verbonden strenge verplichtingen en controles?
2.
Moeten de fundamentele vrijheden van het EG-verdrag, inzonderheid het door artikel 49 EG gewaarborgde vrij verrichten van diensten, aldus worden uitgelegd dat, ongeacht de in beginsel nog steeds aan de lidstaten toekomende bevoegdheid tot het regelen van het strafrechtelijk bestel, ook een strafbepaling van een lidstaat moet worden getoetst aan het gemeenschapsrecht, wanneer zij de uitoefening van een van de fundamentele vrijheden kan verbieden of verhinderen?
3.
a)
Moet artikel 49 EG juncto artikel 10 EG aldus worden uitgelegd dat — op basis van het beginsel van wederzijds vertrouwen — in de staat waar de dienst wordt verricht rekening moet worden gehouden met de controles die zijn uitgevoerd in de staat waar een dienstverrichter is gevestigd, en met de aldaar gegeven waarborgen?
b)
Zo ja, moet artikel 49 EG voorts aldus worden uitgelegd dat wanneer het vrij verrichten van diensten wordt beperkt om redenen van algemeen belang, nagegaan dient te worden of de rechtsvoorschriften, controles en onderzoeken waaraan de dienstverrichter is onderworpen in zijn staat van vestiging, niet reeds voldoende rekening houden met dit algemene belang?
c)
Zo ja, moet bij de toetsing van de evenredigheid van een bepaling van een lidstaat die sancties stelt op het zonder binnenlandse licentie grensoverschrijdend aanbieden van kansspeldiensten bedreigt, in aanmerking worden genomen dat met de beleidsmatige belangen waarop de staat waar de dienst wordt verricht zich beroept ter rechtvaardiging van de beperking van de fundamentele vrijheid, reeds in de staat van vestiging door een strenge toelatings- en toezichtprocedure voldoende rekening is gehouden?
d)
Zo ja, moet de verwijzende rechter er — binnen het kader van zijn onderzoek van de evenredigheid van een dergelijke beperking — dan rekening mee houden dat de betrokken voorschriften in de staat waar de dienstverrichter is gevestigd, qua controledichtheid zelfs verder gaan dan de voorschriften in de staat waar de dienst wordt verricht?
e)
Vereist het beginsel van evenredigheid in het geval waarin om beleidsmatige redenen, zoals de bescherming van de spelers en de bestrijding van criminaliteit, onder dreiging met strafsancties een verbod is gesteld op kansspelen, voorts dat de verwijzende rechter onderscheid maakt tussen, enerzijds, aanbieders die zonder enigerlei vergunning kansspelen aanbieden, en anderzijds, aanbieders die, met een concessie, in andere lidstaten van de EU zijn gevestigd en activiteiten verrichten in de uitoefening van hun vrijheid van dienstverrichting?
f)
Moet, tenslotte, bij het onderzoek van de evenredigheid van een bepaling van een lidstaat waarbij het zonder binnenlandse concessie of vergunning grensoverschrijdend aanbieden van kansspeldiensten onder dreiging met strafsancties wordt verboden, in aanmerking worden genomen dat het voor een aanbieder van kansspeldiensten aan wie in een andere lidstaat naar behoren een concessie is verleend, op grond van objectieve, indirect discriminerende toegangsbeperkingen niet mogelijk was om in de eerste lidstaat een licentie te verkrijgen, en de procedure van licentieverlening en toezicht in de staat van vestiging een niveau van bescherming biedt dat minstens vergelijkbaar is met dat van de eerste lidstaat?
4.
a)
Moet artikel 49 EG aldus worden uitgelegd dat het tijdelijke karakter van de dienstverrichting voor de dienstverrichter uitsluit dat hij zich in de ontvangende lidstaat met een bepaalde infrastructuur (zoals een server) kan uitrusten zonder te worden geacht in deze lidstaat te zijn gevestigd?
b)
Moet artikel 49 EG voorts aldus worden uitgelegd dat een tot binnenlandse verrichters van ondersteunende diensten gericht verbod om de dienstverrichting door een in een andere lidstaat gevestigde dienstverrichter te vergemakkelijken, ook dan neerkomt op een beperking van de vrijheid van dienstverrichting van deze dienstverrichter, wanneer de verrichter van ondersteunende diensten is gevestigd in dezelfde lidstaat als een deel van de ontvangers van de dienst?
Full & Egal Universal Law Academy