21.11.2009
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 282/27
Hogere voorziening ingesteld op 2 september 2009 door ThyssenKrupp Nirosta AG, voorheen ThyssenKrupp Stainless AG tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vijfde kamer) van 1 juli 2009 in zaak T-24/07, ThyssenKrupp Stainless AG/Commissie van de Europese Gemeenschappen
(Zaak C-352/09 P)
2009/C 282/47
Procestaal: Duits
Partijen
Rekwirante: ThyssenKrupp Nirosta AG, voorheen ThyssenKrupp Stainless AG (vertegenwoordigers: M. Klusmann en S. Thomas, Rechtsanwälte)
Andere partij in de procedure: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies
1.
het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Vijfde kamer) van 1 juli 2009 in zaak T-24/07 (ThyssenKrupp Stainless AG/Commissie) in zijn geheel vernietigen;
2.
subsidiair, de zaak voor een nieuwe beslissing naar het Gerecht van eerste aanleg verwijzen;
3.
meer subsidiair, de in artikel 2 van de bestreden beschikking van de Commissie van 20 december 2006 aan rekwirante opgelegde geldboete tot een passend bedrag verlagen;
4.
verweerster in hogere voorziening verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
De hogere voorziening is gericht tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg, waarbij is verworpen rekwirantes beroep tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie (hierna: „verweerster in hogere voorziening”) van 20 december 2006 in het kader van een procedure op grond van artikel 65 KS. De onderhavige zaak betreft een inbreuk op het mededingingsrecht met betrekking tot de markt voor producten van roestvrij staal, die volgens de vaststellingen van verweerster in hogere voorziening in januari 1998 eindigde. De inbreuk viel binnen de werkingssfeer van artikel 65 KS.
Rekwirante steunt haar hogere voorziening op vijf middelen.
Met haar eerste middel voert rekwirante schending aan van het beginsel nulla poena sine lege, van artikel 23 van verordening (EG) nr. 1/2003, van de artikelen 5 EG, 7, lid 1, EG en 83 EG, en van de soevereiniteit van de staten die het EGKS-Verdrag hebben gesloten, voor zover het Gerecht de door verweerster in hogere voorziening aangevoerde rechtsgrondslag — te weten artikel 65, lid 1, KS juncto artikel 23 van verordening nr. 1/2003 — heeft bevestigd. Artikel 65, lid 1, KS is sinds het aflopen van het EGKS-Verdrag geen geldige norm voor het opleggen van sancties meer. Verweerster in hogere voorziening heeft dus sine lege gehandeld. Het opleggen van een geldboete kon evenmin aanvullend op artikel 23 van verordening nr. 1/2003 worden gebaseerd. Overeenkomstig de in het Verdrag vastgestelde bevoegdheidsverdeling kunnen op grond van die bepaling slechts inbreuken op het EG-recht, en geen inbreuken op het EGKS-recht, worden gesanctioneerd.
Met haar tweede middel klaagt rekwirante over schending van de beginselen res iudicata en nulla poena sine lege alsook over een onjuiste toepassing van artikel 23 van verordening nr. 1/2003, voor zover het Gerecht zich heeft aangesloten bij het standpunt van verweerster in hogere voorziening, volgens hetwelk rekwirante in de plaats van Thyssen Stahl AG ter verantwoording kan worden geroepen voor een door laatstgenoemde begane inbreuk. Thyssen Stahl AG bestaat nog steeds als een solvente onderneming, zodat verweerster in hogere voorziening zich tot haar had kunnen wenden. Ook het Hof van Justitie heeft zich in 2005 in die zin uitgesproken in de gevoegde zaken C-65/02 P en C-73/02 P betreffende de oorspronkelijke beschikking van verweerster in hogere voorziening van 1998. Zelfs indien het Hof in zijn arrest van oordeel zou zijn geweest dat er sprake was van een materiële overdracht van de aansprakelijkheid op rekwirante, zou daaruit geen kracht van gewijsde voortvloeien voor de onderhavige procedure, aangezien deze voortvloeit uit een nieuwe beschikking van verweerster. Voorts kan rekwirante in geen geval op grond van haar verklaring, waarmee slechts een overgang van civielrechtelijke aansprakelijkheid declaratoir tot uitdrukking werd gebracht, aansprakelijk zijn voor Thyssen Stahl AG, aangezien een verklaring van een onderneming nooit kan leiden tot de overdracht van de verplichting om een geldboete te betalen.
Met haar derde middel stelt rekwirante schending van het vereiste van nauwkeurigheid. Uit de door het Gerecht bevestigde grondslag voor het opleggen van de sanctie, te weten artikel 23 van verordening nr. 1/2003, blijkt niet voldoende duidelijk en ondubbelzinnig dat deze betrekking heeft op schendingen van artikel 65, lid 1, KS. Bovendien zijn de toepassingsvoorwaarden en de rechtsgevolgen van het door verweerster in hogere voorziening en het Gerecht vooropgestelde concept „overdracht van aansprakelijkheid op grond van een verklaring” onvoldoende duidelijk en ondubbelzinnig wettelijk geregeld.
Met haar vierde middel voert rekwirante schending aan van de verjaringsvoorschriften. Aangezien zij slechts het gevolg — bestaande in een geldboete — dient te dragen van een inbreuk waarvoor Thyssen Stahl AG zich aanvankelijk diende te verantwoorden, moet ook voor de verjaring naar Thyssen Stahl AG worden gezien. Aangezien Thyssen Stahl AG geen beroep heeft ingesteld tegen de oorspronkelijke beschikking van verweerster in hogere voorziening, was de verjaringstermijn ten aanzien van niet geschorst. Bijgevolg is de verjaring inmiddels ingetreden, zodat ook een indirecte aansprakelijkheid van rekwirante voor Thyssen Stahl AG uitgesloten is.
Het vijfde middel stelt schending van de beginselen van de berekening van de geldboete. Het Gerecht heeft ten onrechte een verlaging van de geldboete uitgesloten, hoewel rekwirante in de onderhavige procedure onweersproken alle feiten heeft aangevoerd die door de Commissie als een inbreuk op artikel 65, lid 1, KS zijn aangemerkt. Een beloning voor deze samenwerking had niet mogen worden afgewezen op grond dat rekwirante zich om juridische redenen tegen de toepassing van artikel 65, lid 1, KS heeft verzet en tevens om juridische redenen een overdracht van aansprakelijkheid van Thyssen Stahl AG op haar van de hand wijst. Het aanvoeren van de onrechtmatigheid van juridische beoordelingen doet niet af aan de waarde van haar medewerking aangezien rechtsvragen steeds ambtshalve moeten worden onderzocht en overheidsinstanties nooit — dus ongeacht hetgeen de partijen hebben erkend — onwettige besluiten mogen vaststellen.
Full & Egal Universal Law Academy