19.12.2009
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 312/20
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Vilniaus Miesto 1 Apylinkės Teismas (Litouwen) op 2 oktober 2009 — Malgožata Runevič-Vardyn en Łukasz Paweł Wardyn/Lokale overheid van de stad Vilnius, ministerie van Justitie van de Republiek Litouwen, Staatscommissie voor de Litouwse taal en burgerlijke stand van de juridische dienst van de lokale overheid van de stad Vilnius
(Zaak C-391/09)
2009/C 312/33
Procestaal: Litouws
Verwijzende rechter
Vilniaus Miesto 1 Apylinkės Teismas
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Malgožata Runevič-Vardyn en Łukasz Paweł Wardyn
Verwerende partijen: Lokale overheid van de stad Vilnius, ministerie van Justitie van de Republiek Litouwen, Staatscommissie voor de Litouwse taal en burgerlijke stand van de juridische dienst van de lokale overheid van de stad Vilnius
Prejudiciële vragen
1)
Moet artikel 2, lid 2, sub b, van richtlijn 2000/43/EG (1) van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming, in het licht van de beginselen die zijn neergelegd in die richtlijn, aldus worden uitgelegd dat het de lidstaten verbiedt personen op grond van hun etnische afstamming indirect te discrimineren doordat nationale rechtsvoorschriften bepalen dat voor- en achternamen van personen in akten van de burgerlijke stand alleen in letters van de nationale taal mogen worden geschreven?
2)
Moet artikel 2, lid 2, sub b, van richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming, in het licht van de beginselen die zijn neergelegd in die richtlijn, aldus worden uitgelegd dat het de lidstaten verbiedt personen op grond van hun etnische afstamming indirect te discrimineren doordat nationale rechtsvoorschriften bepalen dat voor- en achternamen van personen van een andere etnische groep of met een andere nationaliteit in akten van de burgerlijke stand moeten worden geschreven in het Latijnse alfabet en zonder gebruik te maken van diakritische tekens, ligaturen of andere wijzigingen van de letters van het Latijnse alfabet die in verschillende talen worden gebruikt?
3)
Moeten artikel 18, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, waarin staat dat elke burger van de Unie het recht heeft vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en verblijven, en artikel 12, eerste alinea, van dat Verdrag, dat discriminatie op grond van nationaliteit verbiedt, aldus worden uitgelegd dat zij de lidstaten verbieden in hun nationale wetgeving te bepalen dat voor- en achternamen van personen in akten van de burgerlijke stand alleen mogen worden geschreven met letters van de nationale taal?
4)
Moeten artikel 18, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, waarin staat dat elke burger van de Unie het recht heeft vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en verblijven, en artikel 12, eerste alinea, van dat Verdrag, dat discriminatie op grond van nationaliteit verbiedt, aldus worden uitgelegd dat zij de lidstaten verbieden in hun nationale wetgeving te bepalen dat voor- en achternamen van personen van een andere etnische groep of met een andere nationaliteit in akten van de burgerlijke stand moeten worden geschreven in het Latijnse alfabet en zonder gebruik te maken van diakritische tekens, ligaturen of andere wijzigingen van de letters van het Latijnse alfabet die in verschillende talen worden gebruikt?
(1) PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22.
Full & Egal Universal Law Academy