16.1.2010
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 11/16
Beroep ingesteld op 22 oktober 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Helleense Republiek
(Zaak C-407/09)
2010/C 11/27
Procestaal: Grieks
Partijen
Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: M. Κontou-Durande, A.-M. Rouchaud-Joët)
Verwerende partij: Helleense Republiek
Conclusies
—
vaststellen dat de Helleense Republiek, door niet de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof van 18 juli 2007 in zaak C-26/07, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 228, lid 1, EG;
—
de Helleense Republiek gelasten om aan de Commissie te betalen op de rekening „Eigen middelen van de Europese Gemeenschap”, een voorgestelde dwangsom van 72 532,80 EUR per dag vertraging bij het nemen van de maatregelen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest in zaak C-26/07, vanaf de datum waarop het arrest in de onderhavige zaak zal worden gewezen tot de datum waarop het arrest in zaak C-26/07 zal zijn uitgevoerd;
—
de Helleense Republiek gelasten om aan de Commissie te betalen op de rekening „Eigen middelen van de Europese Gemeenschap”, een forfaitair dagelijks bedrag van 10 512 EUR per dag vertraging, vanaf de datum waarop het arrest in zaak C-26/07 is gewezen tot de datum waarop het arrest in de onderhavige zaak zal worden gewezen, of de datum waarop de nodige maatregelen ter uitvoering van het arrest in zaak C-26/07 zullen zijn genomen, indien dit eerder gebeurt;
—
de Helleense Republiek verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
In de onderhavige zaak heeft de Helleense Republiek nog niet de nodige wetgevende maatregelen vastgesteld om richtlijn 2004/80/EG om te zetten in Grieks recht.
Bijgevolg is het duidelijk dat de Helleense Republiek nog niet de maatregelen heeft genomen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof van 18 juli 2007 in zaak C-26/07, Commissie/Griekenland.
Overeenkomstig artikel 228, lid 2, tweede alinea, tweede zin, EG bepaalt de Commissie in haar beroep het bedrag van de door de betrokken lidstaat te betalen forfaitaire som of dwangsom die zij in de gegeven omstandigheden passend acht. In het onderhavige geval heeft de Commissie besloten, aan het Hof een geldboete en een forfaitaire som voor te stellen.
Overeenkomstig de beginselen en berekeningsmethoden die zijn neergelegd in de mededeling van 13 december 2005, baseert de Commissie zich bij het bepalen van de voorgestelde som op drie fundamentele criteria: a) de ernst van de inbreuk, b) de duur van de inbreuk en c) de noodzaak te verzekeren dat de financiële sanctie een afschrikkend karakter heeft.
De analyse van de toepassing van die criteria in de onderhavige zaak leidt tot het besluit dat de duur van de inbreuk en de gevolgen ervan voor de particuliere en algemene belangen aanzienlijk zijn en het opleggen van de voorgestelde financiële sancties rechtvaardigen.
Uit de uiteenzetting van de Commissie over de toepassing van de richtlijn blijkt dat alle lidstaten behalve Griekenland de richtlijn in hun nationale recht hebben omgezet en de door de richtlijn verlangde bescherming bieden.
Het verzuim om de richtlijn in Grieks recht om te zetten, belet de verwezenlijking van het fundamentele doel van het vrije verkeer van personen in een gemeenschappelijke ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid. De gevolgen voor de belangen van algemene en individuele aard zijn dus zeer aanzienlijk.
Full & Egal Universal Law Academy