30.1.2010
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 24/39
Hogere voorziening ingesteld op 26 november 2009 door Evets Corp. tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Eerste kamer) van 23 september 2009 in gevoegde zaken T-20/08 en T-21/08, Evets Corp./Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
(Zaak C-479/09 P)
2010/C 24/69
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: Evets Corp. (vertegenwoordiger: S. Ryan, Solicitor)
Andere partij in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
Conclusies
—
de beslissing van het Gerecht van eerste aanleg vernietigen;
—
verklaren dat het verzoek tot herstel in de vorige toestand werd ingediend binnen de in artikel 78, lid 2, van verordening nr. 40/94 (1) gestelde termijnen;
—
de zaak terugverwijzen naar het Gerecht van eerste aanleg zodat het Gerecht op zijn beurt de zaak kan terugverwijzen naar de kamer van beroep voor een uitspraak ten gronde over de vraag of alle noodzakelijke zorgvuldigheid voor de vernieuwing van de inschrijving van de betrokken merken was betracht;
—
het BHIM verwijzen in de kosten van de procedure voor het Hof van Justitie en voor het Gerecht van eerste aanleg.
Middelen en voornaamste argumenten
1)
Deze hogere voorziening betreft een verzoek tot herstel in de vorige toestand overeenkomstig artikel 78, lid 2, van verordening (EG) nr. 40/94 (gemeenschapsmerkverordening). De geldigheid van het betrokken merk was verstreken wegens niet-betaling van de vernieuwingstaks.
2)
De merkhouder had de verantwoordelijkheid voor de betaling van de vernieuwingstaks overgedragen aan een derde. Door een ongewilde fout was de vernieuwingstaks evenwel niet binnen de gestelde termijn betaald.
3)
Het BHIM heeft de gemachtigde van de merkhouder, die niet de derde was die verantwoordelijk was voor de betaling van de vernieuwingstaks, in kennis gesteld van de doorhaling. De gemachtigde heeft deze kennisgevingen doorgestuurd naar de merkhouder, die deze een aantal dagen later heeft ontvangen.
4)
Daarop heeft de merkhouder een verzoek tot herstel in de vorige toestand ingediend overeenkomstig artikel 78, lid 2. Dit verzoek werd ingediend minder dan twee maanden nadat de merkhouder zelf de kennisgevingen van doorhaling had ontvangen, maar meer dan twee maanden nadat de gemachtigde deze had ontvangen.
5)
Artikel 78, lid 2, vereist dat het verzoek schriftelijk wordt ingediend binnen twee maanden na de beëindiging van de verhindering die tot niet-inachtneming van een termijn heeft geleid. Deze hogere voorziening betreft de wijze van vaststelling van de datum waarop die termijn begint te lopen.
6)
De merkhouder betoogt dat de datum waarop hij de kennisgeving heeft ontvangen, moet worden beschouwd als de relevante datum. Hij had de verantwoordelijkheid voor de betaling van de vernieuwingstaks op zich genomen met behulp van een derde. Pas bij ontvangst van die kennisgeving ontdekte hij de fout en kon de verhindering worden beëindigd.
7)
Het Gerecht van eerste aanleg was het evenwel eens met het betoog van het BHIM dat de relevante datum die was waarop de gemachtigde van de merkhouder, aan wie het BHIM de kennisgeving had gestuurd, deze had ontvangen. Het BHIM verwees naar regel 77, die het volgende bepaalt: „Elke door het Bureau aan de behoorlijk gemachtigde vertegenwoordiger gerichte kennisgeving of andere mededeling heeft hetzelfde rechtsgevolg als was deze aan de vertegenwoordigde persoon gericht”.
8)
In hogere voorziening voert de merkhouder het volgende aan:
i)
De fictie in regel 77 is erop gericht dat het BHIM heeft voldaan aan zijn verplichting van kennisgeving aan een partij wanneer het een kennisgeving richt aan een vertegenwoordiger van een partij met betrekking tot zaken waarvoor deze vertegenwoordiger mag optreden. Het BHIM moet dan niets anders meer doen. Maar dit is geen relevante overweging in de onderhavige zaak.
ii)
De „verhindering die tot niet-inachtneming van een termijn heeft geleid” wordt in het geval van termijnen voor betaling van vernieuwingstaks beëindigd wanneer de merkhouder zelf, en/of de persoon aan wie de verantwoordelijkheid voor betaling is overgedragen, daadwerkelijk op de hoogte is van het ongewilde verzuim om te betalen. Elke andere conclusie zou de relevante bepaling onuitvoerbaar maken: in het bijzonder zal een professionele vertegenwoordiger altijd op de hoogte zijn of geacht worden op de hoogte te zijn van de relevante termijnen zodat het richten van een kennisgeving door het BHIM aan hem gewoonlijk hoe dan ook irrelevant zou zijn.
iii)
Betaling van vernieuwingstaks is een eenvoudige financiële transactie waarvoor geen wettelijke vertegenwoordiging is vereist. Een partij kan dus zelf de taks betalen of dit aan een andere persoon overdragen. Wanneer de „vertegenwoordiger” van een partij — die deze partij heeft vertegenwoordigd in de procedure voor het Bureau — niet afzonderlijk is belast met de betaling van de vernieuwingstaks, is de kennisgeving van de niet-betaling aan deze vertegenwoordiger irrelevant. Het is geen kennisgeving aan de partij en kan ook niet worden geacht dit te zijn. Die vertegenwoordiger is juridisch niet verplicht om te reageren op die kennisgeving (hij kan deze evenwel overleggen aan zijn klant uit professionele hoffelijkheid).
iv)
In een geval als het onderhavige is een vertegenwoordiger voor andere doeleinden geen „behoorlijk gemachtigde vertegenwoordiger” voor de betaling van vernieuwingstaks. Kennisgeving aan hem/haar voldoet derhalve niet aan de voorwaarden van regel 77 en doet de fictie niet in werking treden.
v)
Kort gezegd, de relevante persoon die in aanmerking moet worden genomen is de persoon die verantwoordelijk is voor het verrichten van de betrokken handeling. Slechts op het tijdstip waarop deze persoon kennis krijgt van de verhindering kan de relevante termijn voor het indienen van een verzoek tot herstel beginnen te lopen.
vi)
Hoewel de bepalingen van het Europees Octrooiverdrag strikt gezien niet bindend zijn in het gemeenschapsrecht, moeten zij duidelijk hoog worden aangeschreven. Wanneer er rechtspraak van het Europees Octrooibureau bestaat inzake een in dezelfde bewoordingen geformuleerde bepaling, is het uitermate wenselijk dat deze formulering op dezelfde wijze wordt uitgelegd. Rekwirante betoogt dat de parallelle beslissingen van het EOB juist zijn en dat zijn redenering correct is.
(1) Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB L 11, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy