27.3.2010
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 80/7
Hogere voorziening ingesteld op 3 december 2009 door Thomson Sales Europe tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Eerste kamer) van 29 september 2009 in de gevoegde zaken T-225/07 en T-364/07, Thomson Sales Europe/Commissie
(Zaak C-498/09 P)
2010/C 80/13
Procestaal: Frans
Partijen
Rekwirante: Thomson Sales Europe (vertegenwoordigers: F. Goguel en F. Foucault, avocats)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
—
het arrest van het Gerecht van 29 september 2009 vernietigen,
—
beschikking REM nr. 03/05 van de Commissie van 7 mei 2007 nietig verklaren;
—
de Commissie verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Rekwirante voert in wezen drie middelen aan ter onderbouwing van haar hogere voorziening.
Met haar eerste middel stelt rekwirante dat het Gerecht de in artikel 225 EG neergelegde bevoegdheidsregels heeft geschonden doordat het ten gronde uitspraak heeft gedaan over haar verzoek om nietigverklaring van de brief van de Commissie van 20 juli 2007, waarbij niet is bevestigd dat niet tot navordering van invoerrechten op in Thailand gefabriceerde kleurentelevisietoestellen zou worden overgegaan, hoewel eerder was geoordeeld dat voornoemd verzoek niet-ontvankelijk was op grond dat de betrokken brief geen rechtsgevolgen kon hebben.
Met haar tweede middel betoogt rekwirante dat het Gerecht de rechten van de verdediging heeft geschonden en de feiten kennelijk onjuist heeft gekwalificeerd doordat het om te beginnen haar verzoek om alle bewijsaanbiedingen aan partijen kenbaar te maken, heeft afgewezen, en het voorts heeft geoordeeld dat Thomson blijk had gegeven van een kennelijke nalatigheid, aangezien deze als ervaren marktdeelnemer nauwkeurige inlichtingen aan de Commissie had moeten vragen over de mogelijkheid om in Thailand gefabriceerde kleurentelevisietoestellen nog steeds als goederen van oorsprong uit Thailand te blijven aangeven nadat zij uit Korea en Maleisië afkomstige beeldbuizen was gaan betrekken.
Met haar derde middel, dat uit twee onderdelen bestaat, stelt Thomson schending door het Gerecht van artikel 239 van het douanewetboek (1) betreffende de mogelijkheid tot verkrijging van terugbetaling van de rechten bij invoer of van de rechten bij uitvoer of van kwijtschelding van een bepaald bedrag van de douaneschuld. Enerzijds heeft het Gerecht volgens rekwirante blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door bij de afwijzing van haar verzoek enkel de voorwaarde betreffende het ontbreken van een frauduleuze handeling of een klaarblijkelijke nalatigheid te hebben onderzocht, zonder voorafgaand onderzoek van de voorwaarde betreffende het bestaan van een bijzondere situatie.
Anderzijds heeft het Gerecht de feiten rechtens onjuist gekwalificeerd, en dus blijk gegeven van onjuiste rechtsopvatting, door te oordelen dat de in artikel 239 van het douanewetboek gestelde voorwaarden voor kwijtschelding niet waren vervuld. Volgens rekwirante voldoet zij immers aan de vereisten van deze bepaling, aangezien de omstandigheden van de onderhavige zaak een bijzondere situatie opleveren voor zover de Commissie haar praktijk inzake de uitlegging van de relevante bepalingen heeft gewijzigd zonder de marktdeelnemers daarvan genoegzaam op de hoogte te brengen.
Bovendien stelt Thomson dat zij niet de minste twijfel over de regelmatigheid van haar verrichtingen had, aangezien zij ervan overtuigd was dat één enkel — in de praktijk in onderlinge overeenstemming met de Commissie vastgesteld — antidumpingrecht zou worden toegepast op haar volledige productie. Zij kan dus niet worden geacht nalatig te zijn geweest.
(1) Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy