13.3.2010
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 63/28
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Upravno sodišče (Slovenië) op 21 december 2009 — Marija Omejc/Republiek Slovenië
(Zaak C-536/09)
2010/C 63/47
Procestaal: Sloveens
Verwijzende rechter
Upravno sodišče
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Marija Omejc
Verwerende partij: Republiek Slovenië
Prejudiciële vragen
1)
Moet de uitdrukking „indien de controle ter plaatse wordt verhinderd” uitgelegd worden op basis van het nationale recht, dat het begrip onmogelijkheid aan opzettelijk gedrag of aan de nalatigheid van een bepaalde persoon verbindt?
2)
Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord, moet dan de uitdrukking „indien de controle ter plaatse wordt verhinderd” aldus worden uitgelegd dat deze naast de opzettelijke handelingen of opzettelijk gecreëerde omstandigheden die de uitvoering van de controle ter plaatse onmogelijk maken, ook ander handelen of nalaten omvat dat aan de nalatigheid van de landbouwer of zijn vertegenwoordiger kan worden toegeschreven, indien de controle ter plaatse hierdoor niet kon worden voltooid?
3)
Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord, is het opleggen van de sanctie van artikel 23, lid 2, van verordening (EG) nr. 796/2004 (1) dan afhankelijk van de voorwaarde dat de landbouwer naar behoren is ingelicht over het gedeelte van de controle waarvoor zijn medewerking is vereist?
4)
Indien de eigenaar van een landbouwbedrijf niet op dit bedrijf woont, moet de vraag wie zijn vertegenwoordiger in de zin van artikel 23, lid 2, van verordening (EG) nr. 796/2004 is worden beoordeeld op basis van het nationale recht dan wel op basis van het gemeenschapsrecht/het recht van de Unie?
5)
Indien het probleem als bedoeld in vraag 4 op basis van het gemeenschapsrecht/recht van de Unie moet worden beoordeeld, moet artikel 23, lid 2, van verordening (EG) nr. 796/2004 dan aldus worden uitgelegd dat iedere handelingsbekwame meerderjarige die op het bedrijf woont en aan wie ten minste een deel van het beheer van het landbouwbedrijf is toevertrouwd, als vertegenwoordiger van de landbouwer tijdens de controle ter plaatse moet worden beschouwd?
6)
Indien het probleem als bedoeld in vraag 4 moet worden opgelost op basis van het gemeenschapsrecht/recht van de Unie en het antwoord op vraag 5 ontkennend is, is dan de eigenaar van het landbouwbedrijf (de landbouwer in de zin van artikel 23, nr. 2, van verordening (EG) nr. 796/2004) die niet op het bedrijf woont verplicht om een vertegenwoordiger aan te wijzen, die in de regel te allen tijde op het bedrijf aanwezig is?
(1) Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (PB L 141, blz. 18).
Full & Egal Universal Law Academy