27.3.2010
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 80/10
Hogere voorziening ingesteld op 23 december 2009 door Bank Melli Iran tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Tweede kamer) van 14 oktober 2009 in zaak T-390/08, Bank Melli Iran/Raad
(Zaak C-548/09 P)
2010/C 80/17
Procestaal: Frans
Partijen
Rekwirante: Bank Melli Iran (vertegenwoordiger: L. Defalque, avocate)
Andere partijen in de procedure: Raad van de Europese Unie, Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Franse Republiek, Europese Commissie
Conclusies
—
vernietiging van het arrest van 14 oktober 2009 van de Tweede kamer van het Gerecht van eerste aanleg in zaak T-390/08, Bank Melli Iran/Raad, dat op 15 oktober 2009 aan rekwirante is betekend;
—
toewijzing van de conclusies die rekwirante voor het Gerecht heeft geformuleerd;
—
verwijzing van verweerder in de kosten van beide instanties.
Middelen en voornaamste argumenten
Rekwirante baseert haar hogere voorziening op drie primaire en drie subsidiaire middelen.
Met haar eerste middel stelt zij dat het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de verplichting tot individuele betekening in artikel 15, lid 3, van verordening nr. 423/2007 (1) niet aan te merken als een wezenlijk vormvoorschrift waarvan de niet-naleving leidt tot nietigverklaring van de handeling. Dat namelijk het besluit tot bevriezing van de tegoeden door de Franse bankcommissie en niet door de Raad aan het filiaal van rekwirante in Parijs is meegedeeld, kan niet voldoen aan de in de verordening voorgeschreven mededelingsvereisten en levert schending van een regel van communautaire openbare orde op.
Met haar tweede middel stelt rekwirante dat het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van de rechtsgrondslagen van verordening nr. 423/2007. Door te aanvaarden dat voornoemde verordening en het bestreden besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op de enkele grondslag van de artikelen 60 EG en 301 EG zijn vastgesteld, heeft het Gerecht de wezenlijke vormvoorschriften van het Verdrag geschonden. Aangezien deze verordening en dit besluit immers betrekking hadden op entiteiten die zich bezighouden met, rechtstreeks betrokken zijn bij, dan wel medewerking verlenen aan nucleaire proliferatie, gingen zij de werkingssfeer van de artikelen 60 EG en 301 EG te buiten en dienden zij ook te worden gebaseerd op artikel 308 EG dat eenparigheid van stemmen vereist.
Met haar derde middel voert de Bank Melli Iran aan dat het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van het begrip rechten van verdediging en van het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming, voor zover het zich voldoende ingelicht achtte om zijn rechterlijke controle uit te oefenen zonder van de Raad vóór noch na de instelling van het beroep enig bewijs ter ondersteuning van de motivering van het bestreden besluit te hebben ontvangen.
Subsidiair verwijt rekwirante het Gerecht in de eerste plaats dat het heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en de feiten onjuist heeft beoordeeld, voor zover het van oordeel was dat de Raad op grond van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 423/2007 een zelfstandige beoordelingsbevoegdheid heeft, terwijl hij een door de vaststelling van restrictieve maatregelen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties gebonden bevoegdheid heeft.
Rekwirante merkt in de tweede plaats op dat het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot haar eigendomsrecht, voor zover het van oordeel was dat het belang van de door de litigieuze regeling nagestreefde doeleinden van handhaving van de internationale vrede en veiligheid een inperking rechtvaardigen van de grondrechten, waaronder het eigendomsrecht en het recht om een economische activiteit uit te oefenen.
Ten slotte stelt rekwirante dat het Gerecht de feiten kennelijk onjuist heeft beoordeeld door haar te plaatsen op de lijst van entiteiten waarvan de tegoeden moesten worden bevroren, omdat zij niet aan het Iraanse kernprogramma heeft bijgedragen en geen band heeft met entiteiten die daaraan hebben bijgedragen.
(1) Verordening (EG) nr. 423/2007 van de Raad van 19 april 2007 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran (PB L 103, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy