Zaak C‑112/09 P
Sociedad General de Autores y Editores (SGAE)
tegen
Europese Commissie
„Hogere voorziening – Beroep tot nietigverklaring – Beroepstermijn – Niet-ontvankelijkheid wegens overschrijding van termijn – Begrip ‚verschoonbare dwaling’ – Hogere voorziening kennelijk ongegrond”
Samenvatting van de beschikking
Procedure – Beroepstermijnen – Verval van recht – Verschoonbare dwaling – Begrip – Strekking
In het kader van de gemeenschapsregeling inzake beroepstermijnen kan van verschoonbare dwaling, een grond voor afwijking van die termijnen, slechts sprake zijn in uitzonderlijke omstandigheden waarin met name de betrokken instelling zich op zodanige wijze heeft gedragen dat dit gedrag, op zichzelf of in doorslaggevende mate, bij een justitiabele te goeder trouw die alle zorgvuldigheid aan de dag heeft gelegd die van een marktdeelnemer met normale kennis van zaken mag worden verwacht, een begrijpelijke verwarring kan veroorzaken. De betrokken instelling is de instelling is die de handeling heeft vastgesteld waartegen het beroep is ingesteld. Een verschoonbare dwaling kan ook het gevolg zijn van een gedrag van de rechterlijke instantie zelf dat bij de justitiabele verwarring heeft veroorzaakt.
Wat de termijnen voor beroep bij het Gerecht betreft, is de tekst van artikel 101, lid 1, sub a en b, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht overigens duidelijk en helder, en levert de uitlegging daarvan geen bijzondere moeilijkheden op, zodat om die bepaling te kunnen toepassen een marktdeelnemer met normale kennis van zaken geenszins gebruik behoeft te maken van de uitlegging die een andere instelling geeft van een soortgelijke bepaling, zoals artikel 3 van verordening nr. 1182/71 houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden.
Aangezien het niet tot de taken en de bevoegdheden van de ambtenaren van de griffie van het Gerecht behoort om zich uit te spreken over de berekening van de termijn voor het instellen van beroep, kan een verzoeker niet op goede gronden stellen dat hij, wanneer hij bij de griffie van het Gerecht heeft verzocht om bevestiging van de juistheid van zijn berekening van de termijnen, alle zorgvuldigheid aan de dag heeft gelegd die van een marktdeelnemer met normale kennis van zaken mag worden verwacht.
(cf. punten 20, 22, 24, 27, 29)
BESCHIKKING VAN HET HOF (Achtste kamer)
14 januari 2010 (*)
„Hogere voorziening – Beroep tot nietigverklaring – Beroepstermijn – Niet-ontvankelijkheid wegens overschrijding van termijn – Begrip ‚verschoonbare dwaling’ – Hogere voorziening die kennelijk ongegrond is”
In zaak C‑112/09 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie, ingesteld op 20 maart 2009,
Sociedad General de Autores y Editores (SGAE), gevestigd te Madrid (Spanje), vertegenwoordigd door R. Allendesalazar Corcho en R. Vallina Hoset, abogados,
rekwirante,
andere partij bij de procedure:
Europese Commissie,
verweerster in eerste aanleg,
geeft
HET HOF (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: C. Toader, kamerpresident, K. Schiemann (rapporteur) en L. Bay Larsen, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: R. Grass,
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
1 Met haar hogere voorziening verzoekt Sociedad General de Autores y Editores (SGAE) om vernietiging van de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 13 januari 2009, SGAE/Commissie (T‑456/08; hierna: „bestreden beschikking”), waarbij het Gerecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard haar beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking C(2008) 3435 def. van de Commissie van 16 juli 2008 inzake een procedure op grond van artikel 81 EG en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/C2/38.698 – CISAC; hierna: „litigieuze beschikking”), op grond dat dat beroep niet tijdig was ingesteld.
Voorgeschiedenis van het geding en procesverloop voor het Gerecht
2 Rekwirante is een in Spanje gevestigd auteursrechtenbureau.
3 Bij brief van 23 juli 2008 is haar de litigieuze beschikking betekend, betreffende een mededingingsregeling in het kader van de voorwaarden voor het beheer van de rechten van opvoering van muziekstukken in het openbaar en de verlening van de desbetreffende vergunningen door de auteursrechtenorganisaties, die erin bestaat dat in de overeenkomsten betreffende wederzijdse vertegenwoordiging gebruik wordt gemaakt van de lidmaatschapsbeperkingen die zijn vervat in de modelovereenkomst van de Confédération internationale des sociétés d’auteurs et compositeurs (internationale koepel voor auteursrechtenorganisaties), of dat die lidmaatschapsbeperkingen de facto worden toegepast.
4 Rekwirante heeft bij op 6 oktober 2008 ter griffie van het Gerecht binnengekomen telefaxbericht beroep ingesteld tegen de litigieuze beschikking. Het origineel van het verzoekschrift is op 9 oktober daaraanvolgend ter griffie van het Gerecht neergelegd.
5 Nadat haar op 15 oktober 2008 bij brief van de griffier van het Gerecht was meegedeeld dat haar beroep tegen de litigieuze beschikking niet binnen de in artikel 230 EG voorgeschreven termijn was ingesteld, heeft rekwirante zich in haar brief van 27 oktober 2008 op een verschoonbare dwaling beroepen, zodat een uitzondering op de bepalingen inzake de termijnen zou worden toegestaan.
6 Zij heeft met name aangevoerd dat volgens haar berekening de beroepstermijn was ingegaan op 24 juli 2008, de dag nadat zij de litigieuze beschikking had ontvangen, zodat zij had geconcludeerd dat die termijn op 4 oktober 2008 zou verstrijken. Aangezien 4 oktober een zaterdag was, was zij voorts ervan uitgegaan dat de termijn overeenkomstig artikel 101, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht zou aflopen op de daaraanvolgende werkdag, dat wil zeggen maandag 6 oktober 2008.
7 Daartoe had zij zich voor de uitlegging van artikel 101, lid 1, sub a en b, en lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht gebaseerd op de methode voor de berekening van de termijnen die de Commissie van de Europese Gemeenschappen in de loop van de procedure waarin de litigieuze beschikking is gegeven, had aangegeven in verband met artikel 3, leden 1 en 2, van verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971 houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs‑ en vervaltijden (PB L 124, blz. 1). Nu beide bepalingen inhoudelijk grotendeels identiek zijn, was zij op grond van de door de Commissie aangegeven methode tot de onjuiste slotsom gekomen dat in het gemeenschapsrecht de termijnen telkens op dezelfde wijze moesten worden berekend, dat wil zeggen door bij de termijn een extra dag op te tellen, aangezien de dag van betekening niet werd betrokken in de berekening. Door deze dwaling had zij niet tijdig bij het Gerecht beroep ingesteld.
8 Voorts had zij getracht de juistheid van haar berekening te verifiëren door de Commissie om schriftelijke bevestiging te verzoeken van de datum van betekening van de litigieuze beschikking. Toen zij die eenmaal had ontvangen, had zij eveneens contact opgenomen met de griffie van het Gerecht om de juistheid van de door haar uitgevoerde berekening van de termijn te laten bevestigen. Haar was geantwoord dat aan haar verzoek geen gevolg kon worden gegeven.
Bestreden beschikking
9 Bij de bestreden beschikking heeft het Gerecht het beroep niet-ontvankelijk verklaard op grond dat het niet binnen de daartoe gestelde termijnen was ingesteld.
10 Het Gerecht heeft om te beginnen vastgesteld dat het beroep te laat was ingesteld en gepreciseerd dat de termijn voor het instellen daarvan ingevolge artikel 230, vijfde alinea, EG en de artikelen 101, lid 1, sub a en b, en lid 2, alsmede 102, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht was ingegaan op 24 juli 2008 en verstreken op 3 oktober 2008, de termijn wegens afstand daaronder begrepen.
11 Na de communautaire rechtspraak over het begrip verschoonbare dwaling in herinnering te hebben gebracht, heeft het Gerecht vervolgens in de punten 19 tot en met 21 van de bestreden beschikking rekwirantes betoog verworpen dat was gebaseerd op het bestaan van een dergelijke dwaling:
„19 Een verschoonbare dwaling kan in casu echter niet worden aangenomen, in de eerste plaats omdat verzoekster de beroepstermijn niet heeft berekend aan de hand van de duidelijke bewoordingen van artikel 101, lid 1, sub a en b, van het Reglement voor de procesvoering, maar conform een uitlegging door een andere instelling van een andere bepaling met een andere tekst uit een andere regeling, die van toepassing is in het kader van een procedure voor deze andere instelling. Er moet evenwel worden vastgesteld, zonder dat verzoekster zulks heeft betoogd, dat het gedrag van de betrokken instelling, namelijk het Gerecht, haar niet ertoe heeft aangezet aldus te werk te gaan.
20 In de tweede plaats is de in casu toepasselijke termijnregeling helder en levert de uitlegging daarvan geen bijzondere moeilijkheden op [...].
21 In de derde plaats heeft verzoekster niet blijk gegeven van zorgvuldigheid, met name niet door de griffie van het Gerecht te verzoeken om bevestiging van de berekening van de termijn die zij had verricht met het oog op een tijdige indiening van het verzoekschrift. Het behoort namelijk niet tot de taken en bevoegdheden van de ambtenaren van de griffie om zich uit te spreken over de berekening van de termijn voor het instellen van beroep [...].”
Conclusies van rekwirante
12 Met haar hogere voorziening verzoekt rekwirante het Hof:
– de onderhavige hogere voorziening ontvankelijk en gegrond te verklaren, en de bestreden beschikking te vernietigen;
– het voor het Gerecht ingestelde beroep ontvankelijk te verklaren en de zaak naar het Gerecht te verwijzen voor voortzetting van het onderzoek ten gronde, en
– de Commissie te verwijzen in de kosten van de onderhavige hogere voorziening.
De hogere voorziening
13 Krachtens artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof, wanneer de hogere voorziening kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, op ieder moment, op rapport van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, bij met redenen omklede beschikking de hogere voorziening afwijzen, zonder tot de mondelinge behandeling over te gaan en zonder in voorkomend geval het beroep aan de verwerende partij te betekenen.
14 In casu acht het Hof zich voldoende ingelicht door de stukken uit het dossier om bij een dergelijke met redenen omklede beschikking de hogere voorziening kennelijk ongegrond te kunnen verklaren.
Argumenten van rekwirante
15 Rekwirante baseert haar hogere voorziening op drie middelen.
16 Met haar eerste middel verwijt zij het Gerecht dat het zich in punt 19 van de bestreden beschikking heeft beschouwd als de „betrokken instelling” in de zin van de rechtspraak inzake verschoonbare dwalingen, dat wil zeggen als de instelling waarvan het gedrag de betrokken dwaling zou hebben teweeggebracht. Uit deze rechtspraak blijkt echter duidelijk dat die betrokken instelling telkens de instelling is die de aangevochten handeling heeft vastgesteld, hier de Commissie.
17 Met haar tweede middel verwijt zij het Gerecht dat het eraan is voorbijgegaan dat artikel 101, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht en artikel 3 van verordening nr. 1182/71 uniform moeten worden uitgelegd. In punt 19 van de bestreden beschikking heeft het Gerecht ten onrechte de door de Commissie aan dat artikel 3 gegeven uitlegging irrelevant geacht door die te kwalificeren als „uitlegging door een andere instelling van een andere bepaling met een andere tekst uit een andere regeling, die van toepassing is in het kader van een procedure voor deze andere instelling”. Volgens haar moeten de termijnen op dezelfde manier worden berekend, ongeacht of het gaat om de toepassing van verordening nr. 1182/71 dan wel om die van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.
18 Met haar derde middel verwijt zij het Gerecht schending van de rechtspraak inzake verschoonbare dwalingen, aangezien het die onjuist en al te restrictief zou hebben toegepast. In casu is namelijk voldaan aan de voorwaarden om vast te stellen dat er zich een verschoonbare dwaling heeft voorgedaan. Met name is er enerzijds sprake van uitzonderlijke omstandigheden die in beslissende mate bij de justitiabele een begrijpelijke verwarring kunnen doen ontstaan en heeft zij anderzijds alle zorgvuldigheid aan de dag gelegd die van een persoon met normale kennis van zaken mag worden verwacht.
Beoordeling door het Hof
19 De drie door rekwirante aangevoerde middelen moeten tezamen worden onderzocht, aangezien zij alle betrekking hebben op de weigering van het Gerecht om in casu een verschoonbare dwaling aan te nemen.
20 Er zij aan herinnerd dat in het kader van de gemeenschapsregeling inzake beroepstermijnen van verschoonbare dwaling, een grond voor afwijking van die termijnen, slechts sprake kan zijn in uitzonderlijke omstandigheden waarin met name de betrokken instelling zich op zodanige wijze heeft gedragen dat dit gedrag, op zichzelf of in doorslaggevende mate, bij een justitiabele te goeder trouw die alle zorgvuldigheid aan de dag heeft gelegd die van een marktdeelnemer met normale kennis van zaken mag worden verwacht, een begrijpelijke verwarring kan veroorzaken (zie met name arrest van 15 december 1994, Bayer/Commissie, C‑195/91 P, Jurispr. blz. I‑5619, punt 26). Een strikte toepassing van deze regels is namelijk vereist ter wille van de rechtszekerheid en de noodzaak om elke discriminatie of willekeurige behandeling bij de rechtsbedeling te vermijden (zie in die zin arrest van 26 november 1985, Cockerill-Sambre/Commissie, 42/85, Jurispr. blz. 3749, punt 10, en beschikkingen van 7 mei 1998, Ierland/Commissie, C‑239/97, Jurispr. blz. I‑2655, punt 7, en 8 november 2007, België/Commissie, C‑242/07 P, Jurispr. blz. I‑9757, punt 16).
21 Vastgesteld moet worden dat het Gerecht deze rechtspraak noch onjuist noch al te restrictief heeft toegepast. Het is terecht tot de slotsom gekomen dat een verschoonbare dwaling in casu niet kan worden aangenomen.
22 Het is juist dat, zoals rekwirante in haar hogere voorziening terecht heeft benadrukt, de in die rechtspraak bedoelde „betrokken instelling” de instelling is die de aangevochten handeling heeft vastgesteld, hier de Commissie.
23 Er moet evenwel worden vastgesteld dat deze zich niet op zodanige wijze heeft gedragen dat dit gedrag, op zichzelf of in doorslaggevende mate, bij een justitiabele te goeder trouw die alle zorgvuldigheid aan de dag heeft gelegd die van een marktdeelnemer met normale kennis van zaken mag worden verwacht, een begrijpelijke verwarring kan veroorzaken.
24 Zoals het Gerecht in de punten 19 en 20 van de bestreden beschikking terecht heeft vastgesteld, is de tekst van artikel 101, lid 1, sub a en b, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht duidelijk en helder, en levert de uitlegging daarvan geen bijzondere moeilijkheden op. Om die bepaling te kunnen toepassen behoefde een marktdeelnemer met normale kennis van zaken dus geenszins gebruik te maken van enigerlei uitlegging van een andere soortgelijke bepaling door de Commissie, zoals artikel 3 van verordening nr. 1182/71.
25 De vraag of artikel 101 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht en artikel 3 van verordening nr. 1182/71 op dezelfde wijze moeten worden uitgelegd, is dus niet van belang voor de bepaling van de betrokken beroepstermijn. Derhalve moet worden vastgesteld dat het Gerecht geen fout heeft gemaakt door deze kwestie niet te hebben onderzocht.
26 Hoe dan ook zou een marktdeelnemer met normale kennis van zaken niet hebben geopteerd voor een – van de uitlegging van een andere verordening door de Commissie afgeleide – uitlegging van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht die kennelijk contra legem is, zonder althans te zijn nagegaan of de uit deze uitlegging voortvloeiende berekening van de termijnen juist is.
27 In dit kader kan rekwirante niet op goede gronden stellen dat zij, nu zij bij de griffie van het Gerecht vergeefs had verzocht om bevestiging van de juistheid van haar berekening, alle zorgvuldigheid aan de dag heeft gelegd die van een marktdeelnemer met normale kennis van zaken mag worden verwacht. Zoals het Gerecht terecht heeft vastgesteld in punt 21 van de bestreden beschikking, behoort het niet tot de taken en bevoegdheden van de ambtenaren van de griffie om zich uit te spreken over de berekening van de termijn voor het instellen van beroep.
28 Overigens heeft het Gerecht ook geen fout gemaakt door in punt 19 van de betreden beschikking bovendien vast te stellen dat zijn gedrag bij rekwirante geen verwarring had gezaaid over de berekening van de beroepstermijn.
29 Ook al is het Gerecht niet de „betrokken instelling” als bedoeld in de in punt 20 van de onderhavige beschikking vermelde rechtspraak, dit neemt niet weg dat een verschoonbare dwaling het gevolg kan zijn van welke uitzonderlijke omstandigheden dan ook. Een verschoonbare dwaling kan dus het gevolg zijn van een gedrag van de rechterlijke instantie zelf dat bij de justitiabele verwarring heeft veroorzaakt. Het Gerecht heeft dus geen fout gemaakt toen het kort op deze hypothese inging.
30 Gelet op al hetgeen voorafgaat, kunnen de drie door rekwirante aangevoerde middelen niet worden aanvaard en moet de hogere voorziening bijgevolg in haar geheel worden afgewezen.
Kosten
31 Volgens artikel 69, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat ingevolge artikel 118 daarvan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt ten aanzien van de proceskosten beslist in de beschikking waardoor een einde komt aan het geding.
32 Aangezien de onderhavige beschikking wordt gegeven vóór de betekening van het verzoekschrift aan de verwerende partij en derhalve voordat deze kosten heeft kunnen maken, volstaat het te beslissen dat rekwirante haar eigen kosten zal dragen.
Het Hof (Achtste kamer) beschikt:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Sociedad General de Autores y Editores (SGAE) draagt haar eigen kosten.
ondertekeningen
* Procestaal: Spaans.
Full & Egal Universal Law Academy