Beschikking van het Hof (Vierde kamer) van 17 november 2011 – Le Poumon vert de la Hulpe e.a./Waals Gewest
(Gevoegde zaken C‑177/09 tot en met C‑179/09)
„Milieueffectbeoordeling van projecten – Richtlijn 85/337/EEG – Werkingssfeer – Begrip ‚specifieke nationale wetgevende handeling’ – Verdrag van Aarhus – Toegang tot rechter inzake milieuaangelegenheden – Omvang van recht om beroep in te stellen tegen wetgevende handeling”
1. Milieu – Milieueffectbeoordeling van bepaalde projecten – Richtlijn 85/337 – Werkingssfeer – Project goedgekeurd bij nationale wetgevende handeling – Uitsluiting – Voorwaarden – Beoordeling door nationale rechter (Richtlijn 85/337 van de Raad, zoals gewijzigd bij richtlijn 2003/35, art. 1, lid 5) (cf. punt 37, dictum 1)
2. Milieu – Milieueffectbeoordeling van bepaalde projecten – Richtlijn 85/337 – Project goedgekeurd bij nationale wetgevende handeling, dat binnen werkingssfeer van richtlijn valt – Recht om beroep in te stellen tegen die handeling – Omvang (Richtlijn 85/337 van de Raad, zoals gewijzigd bij richtlijn 2003/35, art. 10 bis; besluit 2005/370 van de Raad) (cf. punt 46, dictum 2)
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing – Raad van State – Uitlegging van de artikelen 1, 5, 6, 7, 8 en 10 bis van richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 175, blz. 40), zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 (PB L 73, blz. 5) en richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 tot voorziening in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma’s betreffende het milieu en tot wijziging van de richtlijnen 85/337/EEG en 96/61/EG (PB L 156, blz. 17) – Uitlegging van de artikelen 6 en 9 van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, ondertekend op 25 juni 1998 en namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd bij besluit nr. 2005/370/EG van de Raad van 17 februari 2005 (PB L 124, blz. 1) – Kunnen bepaalde bij decreet „geratificeerde” vergunningen waarvoor dringende redenen van algemeen belang bestaan, als specifieke nationale wetgevende handelingen worden erkend? – Ontbreken van een recht om een beslissing waarbij een vergunning wordt verleend voor projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben, volledig te laten toetsen – Facultatieve dan wel verplichte aard van een dergelijk recht – Vergunning voor bouwen en exploiteren)
Dictum
1)
Artikel 1, lid 5, van richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd bij richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003, moet aldus worden uitgelegd dat van de werkingssfeer van deze richtlijn alleen projecten zijn uitgesloten die in detail worden aangenomen via een specifieke nationale wetgevende handeling, zodat de door deze richtlijn nagestreefde doelstellingen via de wetgevingsprocedure zijn bereikt. Het staat aan de nationale rechter om, rekening houdend met zowel de inhoud van de vastgestelde wetgevende handeling als de volledige wetgevingsprocedure die tot de vaststelling ervan heeft geleid, en in het bijzonder met de voorbereidende handelingen en de parlementaire debatten, na te gaan of aan deze twee voorwaarden is voldaan. In dit verband kan een wetgevende handeling die een reeds bestaande bestuurshandeling zonder meer „ratificeert”, en daarbij louter gewag maakt van dringende redenen van algemeen belang zonder dat eerst een wetgevingsprocedure ten gronde is gevoerd om aan die voorwaarden te voldoen, niet als een specifieke wetgevende handeling in de zin van deze bepaling worden aangemerkt en volstaat een dergelijke wetgevende handeling dus niet om een project van de werkingssfeer van richtlijn 85/337, zoals gewijzigd bij richtlijn 2003/35, uit te sluiten.
2)
Artikel 9, lid 2, van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, dat op 25 juni 1998 is ondertekend en namens de Europese Gemeenschap is goedgekeurd bij besluit 2005/370/EG van de Raad van 17 februari 2005, en artikel 10 bis van richtlijn 85/337, zoals gewijzigd bij richtlijn 2003/35, moeten aldus worden uitgelegd dat:
– wanneer een binnen de werkingssfeer van deze bepalingen vallend project bij wetgevende handeling wordt vastgesteld, de vraag of deze wetgevende handeling aan de voorwaarden van artikel 1, lid 5, van deze richtlijn voldoet, overeenkomstig de nationale procedureregels moet kunnen worden voorgelegd aan een rechterlijke instantie of een bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan;
– wanneer tegen een dergelijke wetgevende handeling geen beroep van de hiervóór aangegeven aard en strekking mogelijk is, elke op grond van haar bevoegdheid aangezochte nationale rechterlijke instantie de in het vorige streepje beschreven toetsing dient te verrichten en in voorkomend geval daar als gevolg aan dient te verbinden dat die wetgevende handeling buiten toepassing wordt gelaten.
Full & Egal Universal Law Academy