BESCHIKKING VAN HET HOF (Zesde kamer)
9 februari 2011 (*)
„Verzoek om uitlegging – Niet-ontvankelijkheid”
In zaak C‑345/09 INT,
betreffende een verzoek om uitlegging van het arrest van 14 oktober 2010, Van Delft e.a. (C‑345/09), ingediend op 10 december 2010, krachtens artikel 43 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 102 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof,
O. Fokkens, wonende te Féneyrols (Frankrijk),
verzoeker,
geeft
HET HOF (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: A. Arabadjiev, kamerpresident, A. Rosas en A. Ó Caoimh (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: N. Jääskinen,
griffier: A. Calot Escobar,
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 10 december 2010, heeft O. Fokkens een verzoek om uitlegging van het arrest van 14 oktober 2010, Van Delft e.a. (C‑345/09, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), ingediend.
2 Met zijn verzoek om uitlegging wenst Fokkens om te beginnen te vernemen of dit arrest, meer bepaald de punten 39, 46 tot en met 49, 51, 57, 65, 71, 74, 103 en 109 daarvan, aldus moet worden uitgelegd dat dit de strekking wijzigt van de artikelen 13, leden 1 en 2, sub f, en 28, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 149, blz. 2), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1992/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 (PB L 392, blz. 1), en die van artikel 29 van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening nr. 1408/71 (PB L 74, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 311/2007 van de Commissie van 19 maart 2007 (PB L 82, blz. 6). Daarnaast wenst Fokkens te vernemen of ditzelfde arrest betrekking heeft op de situatie van personen die krachtens de regelgeving van de lidstaat die het pensioen of de rente verschuldigd is, recht hebben op verstrekkingen.
3 Volgens vaste rechtspraak van het Hof kan, gelet op de bijzondere aard van de prejudiciële procedure, die een rechtstreekse samenwerking tot stand brengt tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties in de vorm van een niet-contentieuze procedure, een in het kader van een dergelijke procedure gewezen arrest geen voorwerp van een verzoek om uitlegging vormen. Een nationale rechterlijke instantie kan evenwel krachtens artikel 267 VWEU een nieuw verzoek om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van genoemd arrest indienen [zie in die zin beschikkingen van 18 oktober 1979, Sirena, 40/70, Jurispr. blz. 3169, en 28 april 1998, Reisebüro Binder, C‑116/96 REV, Jurispr. blz. I‑1889, punten 7 en 8, alsook beschikking van 17 december 2010, Barber (Peinado Guitart), C‑262/88 INT, punt 3 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
4 Bijgevolg moet het verzoek om uitlegging overeenkomstig artikel 92, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof worden afgewezen, omdat het kennelijk niet-ontvankelijk is.
Kosten
5 Volgens artikel 69, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt ten aanzien van de proceskosten beslist in de beschikking waardoor een einde komt aan het geding. Daar het door Fokkens ingediende verzoek om uitlegging is afgewezen, dient hij zijn eigen kosten te dragen.
Het Hof (Zesde kamer) beschikt:
1) Het verzoek om uitlegging wordt afgewezen.
2) O. Fokkens zal zijn eigen kosten dragen.
Gedaan te Luxemburg op 9 februari 2011.
De griffier
De president van de Zesde kamer
A. Calot Escobar
A. Arabadjiev
* Procestaal: Nederlands.
Full & Egal Universal Law Academy