BESCHIKKING VAN HET HOF (Vijfde kamer)
1 juli 2010 (*)
„Hogere voorziening – Douanewetboek – Invoer van diskettes uit Thailand – Navordering van rechten bij invoer – Verzoek om kwijtschelding van rechten bij invoer”
In zaak C‑358/09 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie, ingesteld op 3 september 2009,
DSV Road NV, gevestigd te Puurs (België), vertegenwoordigd door A. Poelmans en G. Preckler, advocaten,
rekwirante,
andere partij bij de procedure:
Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Bouyon als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster in eerste aanleg,
geeft
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: E. Levits, kamerpresident, A. Borg Barthet (rapporteur) en M. Ilešič, rechters,
advocaat-generaal: V. Trstenjak,
griffier: R. Grass,
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
1 DSV Road NV (hierna: „DSV Road”) verzoekt om vernietiging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 8 juli 2009, DSV Road/Commissie (T‑219/07; hierna: „bestreden arrest”), houdende afwijzing van de vordering tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 24 april 2007 waarbij aan de Belgische autoriteiten wordt gemeld dat de invoerrechten over diskettes uit Thailand moeten worden nagevorderd en dat het niet gerechtvaardigd is die rechten kwijt te schelden (dossier REC 05/02) (hierna: „omstreden beschikking”).
Toepasselijke bepalingen
2 Artikel 220, lid 2, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2700/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2000 (PB L 311, blz. 17; hierna: „douanewetboek”), bepaalt:
„Behalve in de gevallen als bedoeld in artikel 217, lid 1, tweede en derde alinea, wordt niet tot boeking achteraf overgegaan wanneer:
[...]
b) het wettelijk verschuldigde bedrag aan rechten niet was geboekt ten gevolge van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken en waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan.
Wanneer de preferentiële status van de goederen aan de hand van een systeem van administratieve samenwerking wordt vastgesteld waarbij instanties van een derde land betrokken zijn, wordt de afgifte door deze instanties van een onjuist certificaat aangemerkt als een vergissing, in de in de eerste alinea bedoelde zin, die redelijkerwijze niet kon worden ontdekt.
De afgifte van een onjuist certificaat wordt echter niet als een vergissing aangemerkt, wanneer het certificaat gebaseerd is op een onjuiste weergave van de feiten door de exporteur, behalve indien met name de instanties die het certificaat afgaven klaarblijkelijk wisten of hadden moeten weten dat de goederen niet voor preferentiële behandeling in aanmerking kwamen.
De goede trouw van de belastingschuldige kan worden ingeroepen wanneer deze kan aantonen dat hij er zich gedurende de periode van de betrokken handelstransacties zorgvuldig van heeft vergewist dat alle voorwaarden voor preferentiële behandeling geëerbiedigd werden.
De belastingschuldige kan evenwel geen goede trouw inroepen wanneer de Commissie een bericht in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen heeft bekendgemaakt volgens hetwelk er gegronde twijfel bestaat ten aanzien van de juiste toepassing van de preferentiële regeling door het begunstigde land;
[...]”
3 Artikel 239 van het douanewetboek luidt als volgt:
„1. Tot terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer of van de rechten bij uitvoer kan ook worden overgegaan in de gevallen, andere dan bedoeld in de artikelen 236, 237 en 238,
– welke volgens de procedure van het Comité worden vastgesteld;
– welke het gevolg zijn van omstandigheden die van de zijde van de belanghebbende geen frauduleuze handeling noch klaarblijkelijke nalatigheid inhouden. De gevallen waarin op deze bepaling een beroep kan worden gedaan en de te dien einde toe te passen procedures, worden vastgesteld volgens de procedure van het Comité. Aan de terugbetaling of de kwijtschelding kunnen bijzondere voorwaarden worden verbonden.
2. Terugbetaling of kwijtschelding van de rechten om de in lid 1 genoemde redenen wordt toegestaan indien bij het betrokken douanekantoor vóór het verstrijken van een termijn van twaalf maanden te rekenen vanaf de datum waarop genoemde rechten aan de schuldenaar zijn medegedeeld, een daartoe strekkend verzoek wordt ingediend.
[...]”
Voorgeschiedenis van het geding en omstreden beschikking
4 DSV Road, een Belgische onderneming, heeft tussen januari 1994 en juni 1995 in het kader van haar activiteiten als douane-expediteur voor rekening van een importeur 62 aangiften voor het vrije verkeer ingediend voor diskettes uit Thailand.
5 Ten tijde van de feiten gold voor dat soort producten uit Thailand bij invoer in de Europese Unie een preferentiële tariefregeling in het kader van het stelsel van algemene preferenties, indien voor de invoer een certificaat van oorsprong „formulier A” (hierna: „certificaat formulier A”) was afgegeven door de bevoegde autoriteiten van het Koninkrijk Thailand overeenkomstig artikel 80 van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 253, blz. 1; hierna: „uitvoeringsverordening”).
6 DSV Road heeft bij elke douaneaangifte voor het vrije verkeer een door de Thaise autoriteiten afgegeven certificaat formulier A overgelegd. De Belgische douaneautoriteiten hebben de douaneaangiften aanvaard en de preferentiële tariefbehandeling toegekend.
7 Naar aanleiding van een communautaire missie voor onderzoek in Thailand van 20 tot 30 maart 1995 en van 29 januari tot 2 februari 1996 in het kader van de samenwerking tussen de douanediensten hebben de Thaise autoriteiten met betrekking tot onder meer 60 certificaten formulier A van DSV Road verklaard dat de exporteurs de feiten onjuist hadden weergegeven.
8 Daarop zijn deze 60 door de Thaise autoriteiten afgegeven certificaten formulier A ongeldig verklaard en ingetrokken. Daardoor gold voor de goederen niet langer een preferentiële tariefbehandeling bij invoer in de Unie.
9 De bevoegde Belgische autoriteiten hebben bijgevolg van DSV Road rechten bij invoer ten bedrage van 170 020,65 EUR nagevorderd. DSV Road heeft op grond van artikel 220, lid 2, sub b, van het douanewetboek verzocht om niet tot boeking achteraf van dit bedrag over te gaan en heeft subsidiair op grond van artikel 239 van het douanewetboek verzocht om kwijtschelding.
10 Bij brief van 12 augustus 2002 heeft het Koninkrijk België de Commissie gevraagd om te beslissen dat het gerechtvaardigd is om overeenkomstig artikel 220, lid 2, sub b, van het douanewetboek niet over te gaan tot navordering van die rechten bij invoer, en heeft het, subsidiair, op grond van artikel 239 van het douanewetboek gevraagd die invoerrechten kwijt te schelden.
11 Overeenkomstig de artikelen 871 en 905 van de uitvoeringsverordening heeft DSV Road verklaard dat zij kennis heeft genomen van het dossier dat de Belgische douaneautoriteiten aan de Commissie hadden voorgelegd, en dat zij daaraan niets had toe te voegen.
12 De Commissie heeft de Belgische douaneautoriteiten bij brief van 19 december 2002 om aanvullende informatie verzocht. Deze informatie is bij brief van 5 september 2006 aan de Commissie verstrekt. Het onderzoek van het verzoek om niet tot navordering van de betrokken rechten bij invoer over te gaan en, subsidiair, om kwijtschelding van die invoerrechten is daarom overeenkomstig de artikelen 873 tot en met 907 van de uitvoeringsverordening geschorst van 20 december 2002 tot en met 15 september 2006.
13 Bij brief van 21 december 2006 hebben de Belgische douaneautoriteiten een bedrag van 2 016 EUR op het na te vorderen bedrag in mindering gebracht voor twee certificaten formulier A die door de Thaise autoriteiten niet ongeldig waren verklaard en waarvoor dus geen douaneschuld was vastgesteld. Het bedrag van de douaneschuld, dat wil zeggen het bedrag dat het voorwerp is van het verzoek tot niet-navordering van de rechten bij invoer en, subsidiair, tot kwijtschelding van die rechten, is dus gelijk aan het verschil tussen 170 020,65 EUR en 2 016 EUR, te weten 168 004,65 EUR.
14 Bij brief van 3 januari 2007 heeft de Commissie aan DSV Road meegedeeld dat zij voornemens was om een voor haar ongunstige beslissing te nemen.
15 Bij brief van 9 februari 2007 heeft DSV Road er met name op gewezen dat de Thaise autoriteiten een „actieve” vergissing hadden begaan door certificaten formulier A af te geven zonder na te gaan of de betrokken goederen voldeden aan de criteria inzake de preferentiële oorsprong, en dat zij in elk geval hadden moeten weten dat de betrokken goederen waarschijnlijk uit Hongkong waren ingevoerd, aangezien verscheidene ladingen diskettes uit Hongkong bij aankomst in Thailand met toestemming van de douaneautoriteiten in een andere container waren overgeladen en vervolgens met genoemde certificaten formulier A weer waren uitgevoerd.
16 Bij de omstreden beschikking heeft de Commissie geconcludeerd dat rechten bij invoer ten belope van 168 004,65 EUR moesten worden nagevorderd en dat het niet gerechtvaardigd was die rechten kwijt te schelden. De omstreden beschikking is op 15 mei 2007 door de Belgische douaneautoriteiten aan DSV Road meegedeeld.
Het beroep bij het Gerecht en het bestreden arrest
17 Bij een op 25 juni 2007 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft DSV Road een beroep tot nietigverklaring van de omstreden beschikking ingesteld.
18 Ter ondersteuning van haar beroep heeft DSV Road twee middelen aangevoerd. Het eerste middel betrof schending van artikel 220, lid 2, sub b, van het douanewetboek doordat de Commissie heeft geoordeeld dat het gerechtvaardigd was over te gaan tot boeking achteraf van de rechten bij invoer met betrekking tot de omstreden importen. In het kader van dit eerste middel voerde DSV Road subsidiair aan dat de Thaise autoriteiten wisten of hadden moeten weten dat de betrokken goederen niet voor afgifte van certificaten formulier A in aanmerking kwamen. Het tweede middel betrof schending van artikel 239 van het douanewetboek doordat de Commissie heeft geweigerd kwijtschelding van deze rechten bij invoer te verlenen.
19 Met betrekking tot het eerste middel heeft het Gerecht, na te hebben herinnerd aan de voorwaarden om in de zin van artikel 220, lid 2, sub b, van het douanewetboek niet over te gaan tot boeking achteraf van de rechten bij invoer, in punt 34 van het bestreden arrest met betrekking tot de eerste van die voorwaarden, namelijk het bestaan van een vergissing van de douaneautoriteiten, erop gewezen dat uit de door de Commissie overgelegde documenten bleek dat de Thaise douaneautoriteiten door de Thaise exporteurs waren misleid met betrekking tot het vervuld zijn van de voorwaarden voor afgifte van certificaten formulier A doordat die exporteurs de feiten onjuist hadden weergegeven.
20 Om die reden heeft het Gerecht in punt 35 van dat arrest vastgesteld dat niet was voldaan aan de eerste voorwaarde van artikel 220, lid 2, sub b, van het douanewetboek, betreffende een vergissing die aan de bevoegde douaneautoriteiten kan worden toegerekend. Volgens het Gerecht kan immers alleen in geval van vergissingen die aan een actieve gedraging van de bevoegde autoriteiten kunnen worden toegeschreven, worden afgezien van navordering van de douanerechten. Het Gerecht voegt hieraan toe dat de autoriteiten van de staat van uitvoer gerechtigd, en niet verplicht, zijn een voorafgaande controle te verrichten en, indien zij dit nuttig achten, ermee kunnen volstaan de door de exporteurs in hun aanvragen vermelde informatie te aanvaarden (zie naar analogie arrest van 17 juli 1997, Pascoal & Filhos, C‑97/95, Jurispr. blz. I‑4209, punt 61).
21 Verder blijkt uit de punten 36 en 37 van het bestreden arrest dat volgens het Gerecht DSV Road zich niet op het vertrouwensbeginsel kon beroepen, omdat volgens vaste rechtspraak de belastingschuldige een gewettigd vertrouwen in de geldigheid van certificaten niet kan baseren op het feit dat de douaneautoriteiten van een lidstaat ze aanvankelijk hebben aanvaard, aangezien latere controles steeds mogelijk zijn. Dat de Thaise bevoegde autoriteiten op de certificaten formulier A de oorsprong van de betrokken goederen hebben aangegeven, of dat de Belgische douaneautoriteiten aanvankelijk de oorsprong van de in die certificaten opgegeven goederen hebben aanvaard, volstaat volgens het Gerecht niet om te kunnen spreken van een vergissing in de zin van artikel 220, lid 2, sub b, van het douanewetboek.
22 In punt 38 van dat arrest heeft het Gerecht geconcludeerd dat de Commissie terecht had geoordeeld dat er geen sprake was een vergissing van de bevoegde douaneautoriteiten in de zin van artikel 220, lid 2, sub b, van het douanewetboek, en aangezien de voorwaarden voor toepassing van die bepaling cumulatief zijn, heeft het de andere voorwaarden niet onderzocht.
23 Met betrekking tot het subsidiaire argument van DSV Road heeft het Gerecht in punt 40 van het bestreden arrest eraan herinnerd dat wie zich beroept op de uitzondering in artikel 220, lid 2, sub b, derde alinea, in fine, van het douanewetboek, dient te bewijzen dat de autoriteiten die het betrokken certificaat hebben afgegeven, klaarblijkelijk wisten of hadden moeten weten dat de goederen niet voor preferentiële behandeling in aanmerking kwamen. Het Gerecht heeft echter geoordeeld dat dit in het onderhavige geval niet was aangetoond.
24 Met betrekking tot het tweede middel heeft het Gerecht in de punten 49 tot en met 58 van het bestreden arrest onderzocht of de Commissie een correcte toepassing had gemaakt van artikel 239 van het douanewetboek, volgens hetwelk rechten bij invoer slechts kunnen worden kwijtgescholden wanneer is voldaan aan twee cumulatieve voorwaarden, te weten het bestaan van een bijzondere situatie en het ontbreken van klaarblijkelijke nalatigheid of van een frauduleuze handeling van de belastingschuldige.
25 Het Gerecht heeft dienaangaande met name geoordeeld dat de Commissie in het kader van het onderzoek van alle feiten met betrekking tot de omstreden certificaten waarvan zij in het kader van haar toezichthoudende functie kennis heeft gekregen, terecht heeft geoordeeld dat DSV Road zich niet in een bijzondere situatie in de zin van artikel 239 van het douanewetboek bevond, daar de Thaise autoriteiten waren misleid door de onjuiste verklaringen van de exporteurs, waarvan zij de geldigheid niet hoefden te verifiëren of te beoordelen. Onder verwijzing naar het arrest van het Gerecht van 18 januari 2000, Mehibas Dordtselaan/Commissie (T‑290/97, Jurispr. blz. II‑15, punt 83), heeft het gepreciseerd dat de overlegging van valse, vervalste of ongeldige certificaten op zich geen bijzondere situatie in de zin van artikel 239 van het douanewetboek oplevert, omdat deze omstandigheid tot de beroepsrisico’s van het vak van douane-expediteur behoort.
26 Omdat de eerste voorwaarde voor toepassing van artikel 239 van het douanewetboek niet was vervuld, heeft het Gerecht ook vastgesteld dat de Commissie terecht geen uitspraak heeft gedaan over het ontbreken van klaarblijkelijke nalatigheid of van een frauduleuze handeling van DSV Road.
27 Bijgevolg heeft het Gerecht het beroep ongegrond verklaard.
Conclusies van partijen
28 In hogere voorziening verzoekt DSV Road het Hof:
– het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, en
– het bestreden arrest te vernietigen.
29 Voor het geval dat het Hof, in geval van vernietiging van het bestreden arrest, zou beslissen zelf uitspraak te doen over de grond van de zaak, verzoekt DSV Road het Hof:
– de omstreden beschikking nietig te verklaren, en
– de Commissie te verwijzen in de kosten van beide instanties.
30 De Commissie verzoekt het Hof:
– de hogere voorziening niet-ontvankelijk of althans ongegrond te verklaren, en
– DSV Road te verwijzen in de kosten.
De hogere voorziening
31 Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert DSV Road drie middelen aan. Het eerste middel betreft schending van artikel 220, lid 2, sub b, van het douanewetboek. Het tweede middel betreft de fout die het Gerecht zou hebben gemaakt door de processtukken onjuist of onbillijk te beoordelen en door het bestreden arrest dienaangaande niet met redenen te omkleden. Het derde middel betreft schending van artikel 239 van het douanewetboek.
32 Volgens artikel 119 van zijn Reglement voor de procesvoering kan het Hof, wanneer de hogere voorziening geheel of gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, op ieder moment bij met redenen omklede beschikking de hogere voorziening afwijzen zonder over te gaan tot een mondelinge behandeling.
33 In de onderhavige zaak dient gebruik te worden gemaakt van deze mogelijkheid.
Eerste middel: schending van artikel 220, lid 2, sub b, van het douanewetboek; eerste onderdeel van het tweede middel: onjuiste beoordeling van het bewijsmateriaal
Argumenten van partijen
34 Als eerste middel, dat uit vier onderdelen bestaat, voert DSV Road aan dat het Gerecht artikel 220, lid 2, sub b, van het douanewetboek heeft geschonden door te oordelen dat de Thaise douaneautoriteiten geen vergissing in de zin van deze bepaling hadden begaan omdat uit de processtukken bleek dat die autoriteiten door de Thaise exporteurs waren misleid.
35 DSV Road is in de eerste plaats van mening dat het Gerecht geen rekening heeft gehouden met de uitlegging die het Hof van deze bepaling heeft gegeven in zijn arrest van 9 maart 2006, Beemsterboer Coldstore Services (C‑293/04, Jurispr. blz. I‑2263), volgens hetwelk in het kader van artikel 220, lid 2, sub b, derde alinea, van het douanewetboek de bewijslast ter zake van de afgifte van een onjuist certificaat op basis van een onjuiste weergave van de feiten door de exporteur berust bij degene die zich op toepassing van deze bepaling beroept. Volgens haar staat het dus aan de douaneautoriteiten die de rechten bij invoer willen navorderen, om aan te tonen dat de betrokken certificaten zijn vastgesteld op basis van een onjuiste weergave van de feiten door de exporteur. DSV Road voegt daaraan toe dat uit punt 11 van de considerans van verordening nr. 2700/2000 blijkt dat de onjuistheid van de door de exporteur verstrekte informatie moet worden beoordeeld op basis van alle in het verzoek van de exporteur vermelde feiten.
36 In de tweede plaats verwijt DSV Road het Gerecht dat het alleen naar het reeds aangehaalde arrest Pascoal & Filhos heeft verwezen om te overwegen dat de staat van uitvoer gerechtigd doch niet verplicht is om voorafgaande controles te verrichten en ermee kan volstaan de aan hem verstrekte informatie te aanvaarden.
37 In de derde plaats is DSV Road van mening dat uit het reeds aangehaalde arrest Beemsterboer Coldstore Services a contrario kan worden afgeleid dat het bewijs aan de hand van objectieve oorspronkelijke documenten moet worden geleverd. In de zaak die tot dat arrest heeft geleid, konden de douaneautoriteiten immers niet aantonen of de in het betrokken certificaat verstrekte informatie juist dan wel onjuist was, omdat de importeur de oorspronkelijke documenten houdende het bewijs van de oorsprong van de betrokken producten, niet had bewaard.
38 In de vierde plaats zouden de door het Gerecht in het bestreden arrest aangehaalde arresten niet betrekking hebben op de uitlegging van artikel 220 van het douanewetboek, maar uitsluitend op het systeem van administratieve samenwerking ter zake van oorsprongscertificaten en op het recht van de betrokken autoriteiten om tot navordering over te gaan wanneer ten onrechte een certificaat formulier A is afgegeven. Deze twee aspecten zouden zich echter vóór de toepassing van het mechanisme van artikel 220, lid 2, sub b, van het douanewetboek situeren.
39 Als eerste onderdeel van het tweede middel voert DSV Road aan dat het Gerecht bij de beoordeling van de hem overgelegde bewijzen geen rekening heeft gehouden met de uit het reeds aangehaalde arrest Beemsterboer Coldstore Services voortvloeiende criteria betreffende de aard van het bewijs, aangezien het heeft geoordeeld dat uit de door de Commissie aangedragen stukken, ofschoon het geen oorspronkelijke stukken waren, duidelijk bleek dat de Thaise autoriteiten waren misleid door de exporteurs, die hun hadden verzekerd dat de voorwaarden voor de afgifte van de certificaten formulier A waren vervuld.
40 De Commissie betwist primair de ontvankelijkheid van het eerste middel en van het eerste onderdeel van het tweede middel, op grond dat deze slechts een herhaling vormen van de argumenten die reeds voor het Gerecht waren aangevoerd, en dat geen enkel juridisch argument ter ondersteuning van dit middel en van dit onderdeel van het tweede middel wordt aangevoerd. Het zou in feite gaan om een vordering tot heronderzoek van de zaak, iets waartoe het Hof niet bevoegd is.
41 Subsidiair betoogt de Commissie dat het eerste middel ongegrond is omdat het reeds aangehaalde arrest Beemsterboer Coldstore Services met betrekking tot de bewijslast slechts een bevestiging vormt van de traditionele regels ter zake, volgens welke deze bewijslast rust op de partij die een in het voordeel van de andere partij spelend vermoeden wil weerleggen. De douaneautoriteiten die zich op artikel 220, lid 2, sub b, derde alinea, initio, van het douanewetboek willen beroepen om tot navordering over te gaan, zouden dus moeten bewijzen dat zij door de exporteur zijn misleid. Op dezelfde wijze zou degene die zich beroept op de uitzondering in artikel 220, lid 2, sub b, derde alinea, in fine, van het douanewetboek, de desbetreffende bewijslast dragen. In het onderhavige geval zou DSV Road dus moeten aantonen dat de douaneautoriteiten wisten of hadden moeten weten dat de goederen niet voor afgifte van een certificaat formulier A in aanmerking kwamen.
42 Anders dan DSV Road is de Commissie van mening dat het arrest Beemsterboer Coldstore Services uitsluitend over de bewijslast en niet over de aard van het over te leggen bewijs handelt. Bovendien zou de verwijzing naar de oorspronkelijke stukken in dat arrest alleen gelden in de bijzondere context van de zaak die tot dat arrest heeft geleid.
43 De Commissie verklaart dat het bepalen van de oorsprong van de goederen is gebaseerd op een verdeling van bevoegdheden tussen de autoriteiten van de staat van uitvoer en deze van de staat van invoer, in die zin dat de oorsprong van de goederen wordt vastgesteld door de autoriteiten van de staat van uitvoer. De omstandigheid dat de bevoegde autoriteiten van de staat van uitvoer achteraf verklaren dat een certificaat formulier A niet geldig is, zou op zichzelf voldoende zijn om de autoriteiten van de staat van invoer toe te staan, over te gaan tot navordering.
44 Het eerste onderdeel van het tweede middel is volgens de Commissie ongegrond omdat uit het reeds aangehaalde arrest Beemsterboer Coldstore Services blijkt dat de Commissie niet verplicht is om oorspronkelijke documenten over te leggen.
Beoordeling door het Hof
45 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat, enerzijds, volgens artikel 225 EG en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie de hogere voorziening is beperkt tot rechtsvragen en moet zijn gebaseerd op middelen ontleend aan onbevoegdheid van het Gerecht, onregelmatigheden in de procedure voor het Gerecht waardoor aan de belangen van de verzoekende partij afbreuk is gedaan, dan wel schending van het recht van de Unie door het Gerecht (zie met name arrest van 16 maart 2000, Parlement/Bieber, C‑284/98 P, Jurispr. blz. I‑1527, punt 30, alsmede beschikkingen van 9 november 2007, Lavagnoli/Commissie, C‑74/07 P, punt 20, en 3 februari 2009, Giannini/Commissie, C‑231/08 P, punt 43).
46 Anderzijds volgt uit dezelfde bepalingen en uit artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven, tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht, en welke argumenten rechtens die vordering specifiek ondersteunen (zie met name arrest van 4 juli 2000, Bergaderm en Goupil/Commissie, C‑352/98 P, Jurispr. blz. I‑5291, punt 34, en beschikking van 23 oktober 2009, Commissie/Potamianos, C‑561/08 P en C‑4/09 P, punt 58).
47 Als eerste onderdeel van het eerste middel stelt DSV Road dat het Gerecht een fout heeft gemaakt ter zake van de bewijslast die op de douaneautoriteiten rust met betrekking tot de afgifte van onjuiste certificaten op basis van een onjuiste weergave van de feiten door de exporteur, en dat het Gerecht bijgevolg het reeds aangehaalde arrest Beemsterboer Coldstore Services onjuist heeft uitgelegd. Dit eerste onderdeel legt het Hof in het kader van de hogere voorziening dus een rechtsvraag voor en is bijgevolg ontvankelijk.
48 Vaststaat echter dat dit eerste onderdeel op een onjuiste lezing van het bestreden arrest berust.
49 Allereerst zij er immers aan herinnerd dat uit punt 39 van het reeds aangehaalde arrest Beemsterboer Coldstore Services blijkt dat de douaneautoriteiten die op grond van artikel 220, lid 2, sub b, derde alinea, initio, van het douanewetboek douanerechten willen navorderen, ter onderbouwing van hun vordering moeten bewijzen dat de afgifte van de onjuiste certificaten te wijten is aan de onjuiste weergave van de feiten door de exporteur.
50 Welnu, vaststaat dat het Gerecht in punt 34 van het bestreden arrest heeft onderzocht of de Thaise douaneautoriteiten een vergissing hadden begaan bij de afgifte van de certificaten formulier A. Het bestaan van een dergelijke vergissing is immers de eerste van de cumulatieve voorwaarden om op grond van artikel 220, lid 2, sub b, van het douanewetboek aanspraak te kunnen maken op niet-navordering van de douanerechten. Het Gerecht heeft dienaangaande vastgesteld dat uit het verslag van de communautaire missie voor onderzoek in Thailand van 20 tot 30 maart 1995 en van 29 januari tot 2 februari 1996 alsmede uit de briefwisseling tussen de Commissie en de Thaise autoriteiten, te weten de brieven van de Thaise ambassade te Brussel van 23 juni 1995 en van het Thaise ministerie van Buitenlandse Handel van 2 februari 1996, blijkt dat de Thaise douaneautoriteiten door de Thaise exporteurs zijn misleid met betrekking tot het vervuld zijn van de voorwaarden voor afgifte van certificaten formulier A en dat de exporteurs de feiten onjuist hebben voorgesteld door de waarde van de ingevoerde producten verkeerd te berekenen of door de productiekosten niet correct te specificeren.
51 In punt 35 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geconcludeerd dat de eerste voorwaarde van artikel 220, lid 2, sub b, van het douanewetboek niet was vervuld.
52 Hieruit volgt dat het Gerecht de regels betreffende de verdeling van de bewijslast, zoals die voortvloeien uit het reeds aangehaalde arrest Beemsterboer Coldstore Services, correct heeft toegepast en terecht heeft geoordeeld dat de Thaise douaneautoriteiten geen vergissing hadden begaan. Bijgevolg moet het eerste onderdeel van het eerste middel worden afgewezen wegens kennelijke ongegrondheid.
53 Met betrekking tot het tweede onderdeel van het eerste middel, namelijk dat het Gerecht ten onrechte naar het reeds aangehaalde arrest Pascoal & Filhos heeft verwezen, behoeft slechts te worden vastgesteld dat DSV Road zich ertoe beperkt dit algemeen te stellen zonder enig element aan te dragen waaruit zou blijken dat het Gerecht dienaangaande blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Bijgevolg moet dit onderdeel worden afgewezen wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid.
54 Met betrekking tot het derde onderdeel van het eerste middel en het eerste onderdeel van het tweede middel, die samen moeten worden behandeld, dient te worden vastgesteld dat DSV Road daarmee tracht aan tonen dat het Gerecht het reeds aangehaalde arrest Beemsterboer Coldstore Services onjuist heeft uitgelegd door zich niet op de oorspronkelijke documenten te baseren om te oordelen dat de bevoegde douaneautoriteiten geen vergissing hadden begaan. Bijgevolg werpt dit betoog een rechtsvraag op die het Hof dient te onderzoeken.
55 Opgemerkt zij echter dat deze onderdelen ongegrond zijn omdat zij eveneens op een onjuiste lezing van het reeds aangehaalde arrest Beemsterboer Coldstore Services berusten.
56 In de zaak waarin dat arrest is gewezen, diende het Hof immers te antwoorden op twee prejudiciële vragen, namelijk enerzijds of er sprake is van een „onjuist certificaat” in de zin van artikel 220, lid 2, sub b, van het douanewetboek wanneer de oorsprong van de goederen waarvoor het certificaat is afgegeven, bij een controle achteraf niet kan worden bevestigd, en anderzijds, wie de bewijslast draagt in het kader van artikel 220, lid 2, sub b, derde alinea, van het douanewetboek.
57 Op de eerste van die twee vragen heeft het Hof in de punten 31 tot en met 35 van dat arrest geantwoord dat, wanneer bij een controle achteraf de oorsprong van de goederen niet kan worden bevestigd omdat de exporteur de oorspronkelijke documenten houdende het bewijs van de oorsprong van de uitgevoerde goederen niet heeft bewaard, het betrokken certificaat als een onjuist certificaat in de zin van artikel 220, lid 2, sub b, van het douanewetboek moet worden aangemerkt.
58 Wat het antwoord op de tweede vraag betreft, blijkt uit de punten 39 en 45 van het reeds aangehaalde arrest Beemsterboer Coldstore Services dat degene die zich op artikel 220, lid 2, sub b, derde alinea, van het douanewetboek beroept, de voor de toewijzing van zijn vordering noodzakelijke bewijzen moet aandragen. Met andere woorden, de douaneautoriteiten die op grond van artikel 220, lid 2, sub b, derde alinea, initio, van het douanewetboek tot navordering willen overgaan, moeten bewijzen dat zij door de exporteur zijn misleid. Evenzo dient degene die zich beroept op de uitzondering in artikel 220, lid 2, sub b, derde alinea, in fine, van het douanewetboek, te bewijzen dat de autoriteiten die het betrokken certificaat hebben afgegeven, klaarblijkelijk wisten of hadden moeten weten dat de betrokken goederen niet in aanmerking kwamen voor afgifte van dat certificaat.
59 Met zijn antwoord op de tweede prejudiciële vraag, die betrekking had op de bewijslast, bevestigt het Hof dus gewoon de regels inzake de verdeling van de bewijslast, volgens welke de partij die een vermoeden wil weerleggen, het daartoe nodige bewijs dient te leveren, en het Hof heeft de aard van het daartoe te leveren bewijs niet gepreciseerd. De verwijzing naar de oorspronkelijke documenten paste in het kader van de kwalificatie van het betrokken certificaat als onjuist certificaat in de zin van artikel 220, lid 2, sub b, van het douanewetboek en vormde een omstandigheid die specifiek was voor de zaak die tot het reeds aangehaalde arrest Beemsterboer Coldstore Services heeft geleid, aangezien de exporteur de documenten houdende het bewijs van de oorsprong van de uitgevoerde goederen niet had bewaard.
60 Bijgevolg heeft het Gerecht dat arrest niet onjuist uitgelegd, aangezien niet naar de oorspronkelijke documenten diende te worden gekeken om uit te maken of de Thaise douaneautoriteiten geen vergissing hadden begaan. Het derde onderdeel van het eerste middel en het eerste onderdeel van het tweede middel moeten dus worden afgewezen wegens kennelijke ongegrondheid.
61 Als vierde onderdeel van het eerste middel verwijt DSV Road het Gerecht dat het arresten heeft aangehaald die uitsluitend betrekking hebben op het systeem van administratieve samenwerking ter zake van oorsprongscertificaten.
62 Dienaangaande behoeft slechts te worden vastgesteld dat dit betoog kennelijk ongegrond is, aangezien DSV Road zich ertoe beperkt algemeen te stellen dat dit aspect zich vóór het mechanisme van artikel 220, lid 2, sub b, van het douanewetboek situeert, zonder enig juridisch argument aan te dragen waaruit zou blijken dat het bestreden arrest is aangetast door een onjuiste rechtsopvatting die tot vernietiging ervan kan leiden.
63 Uit een en ander volgt enerzijds dat het eerste middel ten dele wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid en ten dele wegens kennelijke ongegrondheid moet worden afgewezen, en anderzijds dat het eerste onderdeel van het tweede middel moet worden afgewezen wegens kennelijke ongegrondheid.
Tweede onderdeel van het tweede middel: onbillijke beoordeling van de bewijslast en gebrekkige motivering
Argumenten van partijen
64 Als tweede onderdeel van het tweede middel stelt DSV Road dat het Gerecht de bewijslast die enerzijds op de Commissie en anderzijds op DSV Road rust, onbillijk heeft beoordeeld. Zij is bijgevolg van oordeel dat het bestreden arrest gebrekkig is gemotiveerd waar het Gerecht, in de punten 40 en 41 van dat arrest, heeft geoordeeld dat de door haar aangedragen bewijselementen niet volstonden om aan te tonen dat de Thaise autoriteiten wisten of hadden moeten weten dat de voorwaarden voor de afgifte van certificaten formulier A niet waren vervuld.
65 De Commissie betoogt primair dat het tweede onderdeel van het tweede middel niet-ontvankelijk is, omdat het een herhaling vormt van de argumenten die reeds voor het Gerecht zijn aangevoerd, en omdat geen schending van een regel van het recht van de Unie wordt aangetoond.
66 Subsidiair stelt de Commissie dat dit tweede onderdeel van het tweede middel ongegrond is, omdat volgens haar de voorafgaande controle door de autoriteiten van de staat van uitvoer van de door de exporteur in zijn aanvraag verstrekte inlichtingen facultatief is. Anders dan DSV Road stelt, zou het ontbreken van voorafgaande controle dus niet betekenen dat deze onderneming het bewijs heeft geleverd dat die autoriteiten hadden moeten weten dat de goederen niet in aanmerking kwamen voor afgifte van certificaten formulier A.
Beoordeling door het Hof
67 In het kader van het tweede onderdeel van het tweede middel stelt DSV Road dat het Gerecht de bewijslast die enerzijds op de Commissie en anderzijds op DSV Road rust, onbillijk heeft beoordeeld en dat het bestreden arrest daardoor gebrekkig is gemotiveerd. Een dergelijk betoog legt het Hof in het kader van de hogere voorziening een rechtsvraag voor en is bijgevolg ontvankelijk.
68 Er zij echter aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak het uitsluitend aan het Gerecht staat om te beoordelen, welke waarde moet worden gehecht aan de hem voorgelegde bewijsmiddelen, en dat het, behoudens de verplichting de algemene beginselen en de procedureregels inzake de bewijslast en de bewijsvoering te eerbiedigen en de bewijsmiddelen niet verkeerd te interpreteren, niet kan worden verplicht zijn beoordeling van de waarde van elk aan hem voorgelegd bewijsmiddel uitdrukkelijk te motiveren, inzonderheid wanneer het van oordeel is dat die middelen voor de beslechting van het geschil niet van belang of irrelevant zijn (zie arresten van 15 juni 2000, Dorsch Consult/Raad en Commissie, C‑237/98 P, Jurispr. blz. I‑4549, punten 50 en 51, en 18 juli 2006, Rossig/BHIM, C‑214/05 P, Jurispr. blz. I‑7057, punt 22).
69 Vaststaat echter dat het Gerecht, na in punt 32 van het bestreden arrest te hebben herinnerd aan de voorwaarden voor niet-navordering van douanerechten, in punt 34 van dat arrest de verschillende door de Commissie aangedragen bewijselementen heeft onderzocht en in punt 35 van dat arrest heeft geconcludeerd dat de Thaise douaneautoriteiten geen vergissing in de zin van artikel 220, lid 2, sub b, van het douanewetboek hadden begaan. Vervolgens heeft het Gerecht in de punten 40 en 41 van dat arrest de door DSV Road aangedragen bewijselementen onderzocht en geoordeeld dat deze niet volstonden om aan te tonen dat de Thaise autoriteiten wisten of hadden moeten weten dat de betrokken goederen niet in aanmerking kwamen voor afgifte van certificaten formulier A.
70 Uit een en ander volgt dat het tweede onderdeel van het tweede middel moet worden afgewezen wegens kennelijke ongegrondheid.
Derde middel: schending van artikel 239 van het douanewetboek
Argumenten van partijen
71 Als derde middel stelt DSV Road enerzijds dat het Gerecht ten onrechte niet heeft aanvaard dat zij zich in een bijzondere situatie in de zin van artikel 239 van het douanewetboek bevond, daar dit oordeel haars inziens berust op een onjuiste uitlegging van artikel 220, lid 2, sub b, van het douanewetboek door het Gerecht.
72 Anderzijds stelt DSV Road dat het Gerecht ten onrechte naar zijn reeds aangehaalde arrest Mehibas Dordtselaan/Commissie heeft verwezen om te oordelen dat haar situatie geen bijzondere situatie in de zin van artikel 239 van het douanewetboek was. De feiten in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot dat arrest, zouden immers volledig verschillen van die in de onderhavige zaak. In de zaak die aanleiding heeft gegeven tot dat arrest, had de importeur immers fraude gepleegd, daar waar in de onderhavige zaak DSV Road te goeder trouw was.
73 De Commissie betoogt primair dat het derde middel niet-ontvankelijk is omdat DSV Road de argumenten herhaalt die zij reeds voor het Gerecht heeft aangevoerd, en niet aangeeft welke regel van het recht van de Unie het Gerecht zou hebben geschonden.
74 Subsidiair betoogt de Commissie dat het onderhavige middel ongegrond is omdat rekwirante zich niet in een bijzondere situatie in de zin van artikel 239 van het douanewetboek bevond. De navordering van douanerechten na de intrekking van onjuiste certificaten behoort haars inziens immers tot het normale handelsrisico. Deze uitlegging zou worden bevestigd door artikel 904, sub c, van de uitvoeringsverordening.
75 Anderzijds is de Commissie van mening dat het Gerecht terecht naar het reeds aangehaalde arrest Mehibas Dordtselaan/Commissie heeft verwezen. Dit arrest is volgens haar immers een toepassing van het algemene beginsel dat het ter verkrijging van een preferentiële tariefbehandeling voor goederen – al dan niet te goeder trouw – overleggen van documenten waarvan naderhand wordt vastgesteld dat deze vervalst of onjuist zijn, op zichzelf geen bijzondere omstandigheid vormt die kwijtschelding of terugbetaling van de rechten bij invoer rechtvaardigt.
Beoordeling door het Hof
76 Met betrekking tot het eerste onderdeel van het derde middel, namelijk dat het Gerecht ten onrechte zou hebben geoordeeld dat DSV Road zich niet in een bijzondere situatie in de zin van artikel 239 van het douanewetboek bevindt, kan worden volstaan met de vaststelling dat dit onderdeel kennelijk niet-ontvankelijk is omdat DSV Road zich ertoe beperkt te stellen dat dit oordeel van het Gerecht onjuist is en daartoe de argumenten herhaalt die zij reeds in haar verzoekschrift in eerste aanleg heeft aangevoerd, doch geen enkel juridisch element aandraagt waaruit zou blijken dat het bestreden arrest is aangetast door een onjuiste rechtsopvatting die de vernietiging ervan zou rechtvaardigen.
77 Met betrekking tot het tweede onderdeel van het derde middel, namelijk dat het Gerecht ten onrechte naar het reeds aangehaalde arrest Mehibas Dordtselaan/Commissie heeft verwezen omdat de feitelijke situatie in de onderhavige zaak verschilt van die in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot dat arrest, dient te worden vastgesteld dat dit onderdeel het Hof in het kader van de hogere voorziening een rechtsvraag betreffende de uitlegging van dat arrest voorlegt. Bijgevolg is het tweede onderdeel van het derde middel ontvankelijk.
78 Dit onderdeel van het derde middel kan echter niet worden aanvaard omdat het op een kennelijk onjuiste lezing van het bestreden arrest berust.
79 Opgemerkt zij immers dat het Gerecht in punt 56 van het bestreden arrest heeft herinnerd aan het beginsel dat volgens artikel 904, sub c, van de uitvoeringsverordening niet tot terugbetaling of kwijtschelding van rechten bij invoer wordt overgegaan wanneer het verzoek om terugbetaling of kwijtschelding uitsluitend is gegrond op de overlegging – al dan niet te goeder trouw –, ter verkrijging van een preferentiële tariefbehandeling voor goederen, van documenten waarvan naderhand wordt vastgesteld dat deze hetzij vals of vervalst hetzij ongeldig waren voor het verkrijgen van deze behandeling. Onder verwijzing naar punt 83 van het reeds aangehaalde arrest Mehibas Dordtselaan/Commissie voegt het Gerecht daaraan toe, dat met andere woorden de overlegging van valse, vervalste of ongeldige certificaten op zichzelf geen bijzondere situatie in de zin van artikel 239 van het douanewetboek oplevert.
80 Verder dient erop te worden gewezen dat punt 83 van het reeds aangehaalde arrest Mehibas Dordtselaan/Commissie als volgt is geformuleerd: „Het is [...] vaste rechtspraak, dat het – al dan niet te goeder trouw – overleggen van documenten waarvan naderhand wordt vastgesteld dat zij vervalst of onjuist zijn, op zich geen bijzondere situatie is die kwijtschelding of terugbetaling van rechten bij invoer rechtvaardigt.”
81 Uit de in dat punt 83 gekozen algemene formulering „het is vaste rechtspraak” blijkt dat het Gerecht toepassing heeft gemaakt van het, overigens uit artikel 904, sub c, van de uitvoeringsverordening voortvloeiende, beginsel dat de overlegging – al dan niet te goeder trouw –, ter verkrijging van een preferentiële tariefbehandeling voor goederen, van documenten waarvan naderhand wordt vastgesteld dat deze vervalst waren, op zichzelf geen bijzondere situatie is die kwijtschelding van de rechten bij invoer rechtvaardigt.
82 Door in punt 56 van het bestreden arrest naar punt 83 van het reeds aangehaalde arrest Mehibas Dordtselaan/Commissie te verwijzen heeft het Gerecht dus slechts toepassing gemaakt van dit beginsel, dat zowel voortvloeit uit de desbetreffende regeling als uit vaste rechtspraak, en heeft het dienaangaande dus niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
83 Bovendien kan het betoog van DSV Road niet worden aanvaard omdat het neerkomt op de stelling dat deze vennootschap op grond van artikel 239 van het douanewetboek recht heeft op terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer om de enkele reden dat zij te goeder trouw was. Zoals het Gerecht in punt 50 van het bestreden arrest terecht heeft opgemerkt, heeft de belastingschuldige echter slechts recht op terugbetaling of kwijtschelding van douanerechten indien is voldaan aan twee voorwaarden, namelijk het bestaan van een bijzondere situatie en het ontbreken van klaarblijkelijke nalatigheid en van een frauduleuze handeling van de belanghebbende.
84 Het tweede onderdeel van het derde middel moet bijgevolg worden afgewezen wegens kennelijke ongegrondheid.
85 Bijgevolg moet het derde middel ten dele wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid en ten dele wegens kennelijke ongegrondheid worden afgewezen.
86 Mitsdien moet de hogere voorziening in haar geheel worden afgewezen, ten dele wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid en ten dele wegens kennelijke ongegrondheid.
Kosten
87 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 118 van dit Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Aangezien DSV Road in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten.
Het Hof (Vijfde kamer) beschikt:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) DSV Road NV wordt verwezen in de kosten.
Luxemburg, 1 juli 2010.
De griffier
De president van de Vijfde kamer
R. Grass
E. Levits
* Procestaal: Nederlands.
Full & Egal Universal Law Academy