STANDPUNTBEPALING VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. MAZÁK
van 28 oktober 2009 (1)
Zaak C‑197/09 RX‑II
„Heroverweging – Begrip ‚zaak in staat van wijzen’ – Aantasting van eenheid of samenhang van gemeenschapsrecht”
1. Bij beslissing van 24 juni 2009(2) (hierna: „beslissing van het Hof van 24 juni 2009”) heeft het Hof beslist dat het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (hierna: „Gerecht”) van 6 mei 2009, M/EMEA(3) (hierna: „arrest van het Gerecht van 6 mei 2009”), dient te worden heroverwogen. Volgens deze beslissing zal de heroverweging betrekking hebben op de vraag of het arrest van het Gerecht van 6 mei 2009 de eenheid of de samenhang van het gemeenschapsrecht aantast doordat dit Gerecht als rechter in hogere voorziening het begrip „zaak in staat van wijzen” in de zin van artikel 61 van het Statuut van het Hof van Justitie en artikel 13, lid 1, van de bijlage bij dat Statuut aldus heeft uitgelegd dat het hem is toegestaan een zaak aan zich te houden en uitspraak te doen over de grond van de zaak, ook al had de hogere voorziening waarvan het kennis diende te nemen, alleen betrekking op de behandeling in eerste aanleg van een exceptie van niet-ontvankelijkheid en al was over het aspect van de zaak dat het aan zich houdt, voor hem noch voor het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (hierna: „Ambtenarengerecht”) als rechter in eerste aanleg een debat op tegenspraak gevoerd.
2. Aangezien het in casu gaat om de eerste toepassing van de mogelijkheid tot heroverweging door het Hof van een beslissing van het Gerecht, uitspraak doende als een rechter in tweede aanleg(4), lijkt het mij noodzakelijk om een aantal fundamentele aspecten van een dergelijke procedure kort te verduidelijken.
3. Volgens artikel 220, eerste alinea, EG verzekert het Hof, in het kader van zijn bevoegdheden, de eerbiediging van het recht bij de uitlegging en toepassing van het Verdrag. Mijns inziens vormt de mogelijkheid tot heroverweging van een in hogere voorziening gewezen beslissing van het Gerecht een van de middelen die het Hof in staat stellen, deze rol te vervullen.
4. Het is evenwel een buitengewoon middel alsook het laatst beschikbare. Dat blijkt in de eerste plaats uit de algemene opzet van de communautaire rechterlijke organisatie, in de tweede plaats uit de voorwaarden voor ontvankelijkheid van de heroverweging die door de Speciale kamer als bedoeld in artikel 123 ter van het Reglement voor de procesvoering van het Hof worden onderzocht alvorens tot de heroverwegingsprocedure over te gaan, en ten slotte uit het resultaat van de heroverweging, dat na de beslissing over de ontvankelijkheid bestaat in een vaststelling of de beslissing van het Gerecht de eenheid of de samenhang van het gemeenschapsrecht aantast.
5. De heroverwegingsprocedure heeft geen ander doel dan de bescherming van de eenheid en de samenhang van het gemeenschapsrecht, die zouden kunnen worden bedreigd door een in hogere voorziening gewezen onjuiste beslissing van het Gerecht.(5) Daaruit volgt dat deze procedure niet dient tot bescherming van de belangen van de concrete partijen in de concrete procedure, maar tot bescherming van die van het gemeenschapsrecht.
6. Bijgevolg beoogt de heroverwegingsprocedure niet de in hogere voorziening gewezen onjuiste beslissingen van het Gerecht in het algemeen te corrigeren, maar alleen onjuiste beslissingen van het Gerecht in hogere voorziening die de eenheid of de samenhang van het gemeenschapsrecht aantasten. Mijns inziens kan een onjuiste beslissing slechts een dergelijk gevolg hebben wanneer zij in strijd is met een van de algemene beginselen van gemeenschapsrecht, die volgens de recente rechtspraak van het Hof een grondwettelijk karakter hebben(6) en waarvan de eerbiediging de eenheid en de samenhang van het gemeenschapsrecht verzekert.
7. Gelet op het voorgaande zal ik eerst kort de voorgeschiedenis van de heroverwegingsprocedure in herinnering brengen. Vervolgens zal ik nagaan of het arrest van het Gerecht van 6 mei 2009 een gebrek vertoont, en ten slotte, indien dit het geval is, of het arrest van het Gerecht van 6 mei 2009 de eenheid of de samenhang van het gemeenschapsrecht aantast.
Voorgeschiedenis van de heroverwegingsprocedure
8. M heeft het Ambtenarengerecht verzocht om nietigverklaring van het besluit van 25 oktober 2006 waarbij het Europees Geneesmiddelenbureau (hierna: „EMEA”) zijn verzoek tot instelling van een invaliditeitscommissie heeft afgewezen, en van het besluit van 31 januari 2007 waarbij het EMEA zijn verzoek om schadevergoeding en veroordeling van het EMEA tot betaling van 100 000 EUR schadevergoeding voor dienstfouten heeft afgewezen.
9. Bij beschikking van 19 oktober 2007(7) (hierna: „beschikking van het Ambtenarengerecht van 19 oktober 2007”) heeft het Ambtenarengerecht krachtens de exceptie van niet-ontvankelijkheid in de zin van artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht(8) dit beroep niet-ontvankelijk verklaard zonder op de zaak ten gronde in te gaan.
10. M heeft tegen deze beschikking hogere voorziening ingesteld en het Gerecht verzocht om vernietiging ervan en om nietigverklaring van het besluit van het EMEA van 25 oktober 2006, voor zover daarbij het verzoek van 8 augustus 2006 tot instelling van een invaliditeitscommissie is afgewezen, alsook van het besluit van het EMEA houdende afwijzing van zijn vordering tot vergoeding van de geleden schade.
11. Het Gerecht heeft een gemotiveerd verzoek van M krachtens artikel 146 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht toegewezen en de mondelinge behandeling geopend.
12. Bij arrest van 6 mei 2009 heeft het Gerecht de beschikking van het Ambtenarengerecht van 19 oktober 2007 vernietigd en tegelijkertijd onder verwijzing naar artikel 13, lid 1, van de bijlage bij het Statuut van het Hof de zaak zelf afgedaan, namelijk het besluit van het EMEA van 25 oktober 2006 nietig verklaard voor zover daarbij het verzoek van 8 augustus 2006 tot instelling van een invaliditeitscommissie is afgewezen en het EMEA veroordeeld tot betaling van een vergoeding van 3 000 EUR aan rekwirant.
13. Ingevolge het door de eerste advocaat-generaal gedane voorstel tot heroverweging van het arrest van het Gerecht van 6 mei 2009 heeft het Hof bij beslissing van 24 juni 2009 beslist dat dit arrest diende te worden heroverwogen met betrekking tot de vraag of het arrest van het Gerecht de eenheid of de samenhang van het gemeenschapsrecht aantast doordat dit Gerecht als rechter in hogere voorziening het begrip „zaak in staat van wijzen” in de zin van artikel 61 van het Statuut van het Hof van Justitie en artikel 13, lid 1, van de bijlage bij dat Statuut aldus heeft uitgelegd dat het hem is toegestaan een zaak aan zich te houden en uitspraak te doen over de grond van de zaak, ook al had de hogere voorziening waarvan het kennis diende te nemen, alleen betrekking op de behandeling in eerste aanleg van een exceptie van niet-ontvankelijkheid en al was over het aspect van de zaak dat het aan zich houdt, voor hem noch voor het Ambtenarengerecht als rechter in eerste aanleg een debat op tegenspraak gevoerd. Het Hof heeft de in artikel 23 van het Statuut van het Hof bedoelde belanghebbenden en de partijen in de procedure voor het Gerecht uitgenodigd hun schriftelijke opmerkingen over deze vraag in te dienen.
14. Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door M, het EMEA, de Italiaanse en de Poolse regering, het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie alsook de Commissie van de Europese Gemeenschappen.
Vraag of het arrest van het Gerecht van 6 mei 2009 gebreken vertoont
15. Uit de beslissing van het Hof van 24 juni 2009 vloeit voort dat het arrest van het Gerecht van 6 mei 2009 niet in materieelrechtelijk opzicht dient te worden onderzocht, maar uit het oogpunt van een onjuiste toepassing van de procesregels, in concreto artikel 13, lid 1, van de bijlage bij het Statuut van het Hof, krachtens hetwelk het Gerecht als rechter in hogere voorziening bij gegrondheid van de hogere voorziening de zaak moet verwijzen naar het Ambtenarengerecht wanneer de zaak niet in staat van wijzen is.(9)
16. Mijns inziens moet het begrip „zaak in staat van wijzen” worden uitgelegd tegen de achtergrond van de communautaire rechterlijke organisatie en op basis van de respectievelijke rol van een rechter in eerste aanleg en van een rechter in tweede aanleg, uitspraak doende in hogere voorziening.
17. In casu was het Ambtenarengerecht materieel bevoegd om het geschil tussen M en het EMEA te beslechten. Deze bevoegdheid ontstond door de neerlegging van het verzoekschrift en bestond inhoudelijk uit de verplichting om eerst de ontvankelijkheid van het verzoekschrift te onderzoeken en vervolgens bij ontvankelijkheid de gegrondheid ervan te onderzoeken op basis van de feitelijke en de rechtsgrondslag als vastgesteld overeenkomstig het beginsel van hoor en wederhoor.
18. Ik hoef er niet aan te herinneren dat een rechterlijke beslissing ten gronde zonder vaststelling van de feiten ondenkbaar is. In casu was het Ambtenarengerecht de enige rechter die materieel bevoegd was om de feiten vast te stellen.
19. Het Ambtenarengerecht heeft in zijn beschikking van 19 oktober 2007 immers enkel vastgesteld dat het beroep niet-ontvankelijk was, zonder op de zaak ten gronde in te gaan. Een dergelijke mogelijkheid vloeit voort uit artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht(10), dat proceseconomie beoogt. Hieruit volgt dat de feitelijke en de rechtsgrondslag voor de eventuele beslissing ten gronde niet was vastgesteld door het Ambtenarengerecht.
20. Het Gerecht nam van de zaak tussen M en het EMEA kennis door de hogere voorziening, die in de zin van artikel 11, lid 1, van de bijlage bij het Statuut van het Hof moet worden beperkt tot rechtsvragen en dus kan zijn gebaseerd op middelen ontleend aan onbevoegdheid van het Ambtenarengerecht, onregelmatigheden in de procedure voor het Ambtenarengerecht waardoor aan de belangen van de betrokken partij afbreuk is gedaan, dan wel schending van het gemeenschapsrecht door het Ambtenarengerecht.
21. Uit deze definitie van de hogere voorziening volgt dat een rechter in hogere voorziening gebonden is door de feitelijke grondslag zoals vastgesteld door een rechter in eerste aanleg, in casu het Ambtenarengerecht.
22. Aangezien het Ambtenarengerecht het beroep bij beschikking niet-ontvankelijk heeft verklaard, kon de procedure in hogere voorziening mijns inziens alleen erin bestaan, te antwoorden op de vraag of het beroep al dan niet ontvankelijk was. Daar de feiten niet waren vastgesteld en de feitelijke grondslag dus niet was vastgelegd door het Ambtenarengerecht, kon het Gerecht geen uitspraak doen over de zaak ten gronde.
23. In ben van mening dat algemeen kan worden gesteld dat wanneer het Ambtenarengerecht een beroep bij beschikking niet-ontvankelijk heeft verklaard zonder op de zaak ten gronde in te gaan, de zaak niet in staat van wijzen is door het Gerecht in hogere voorziening.
24. De wijze waarop het Gerecht in de onderhavige zaak heeft gehandeld, duidt mijns inziens op een gebrek in de werking van de communautaire rechterlijke organisatie.
25. In wezen ligt dit gebrek namelijk in de verwarring van de materieel bevoegde rechters. Het Gerecht, uitspraak doende als een rechter in tweede aanleg, heeft de materiële bevoegdheid van het Ambtenarengerecht op zich genomen wat de wezenlijke kenmerken ervan betreft, in het bijzonder wat de vaststelling betreft van de feitelijke grondslag die noodzakelijk is voor de uitspraak ten gronde.
26. Bijgevolg is het Gerecht in feite de rechter in eerste aanleg geworden. In het kader van de procedure in hogere voorziening, die is beperkt tot de rechtsvragen, kon het procesbeginsel van hoor en wederhoor, dat alleen typerend is voor de procedure voor de rechter in eerste aanleg, niet worden toegepast. In het kader van de procedure in hogere voorziening kan alleen worden nagegaan of in de procedure voor de rechter in eerste aanleg het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden.
27. De wijze waarop het Gerecht in casu heeft gehandeld, schendt dus het beginsel van de wettelijk bevoegde rechter, volgens hetwelk niemand mag worden afgetrokken van de rechter die de wet hem toekent.(11) Voor de vaststelling van de feitelijke grondslag en de kwalificatie onder een rechtsregel heeft het Ambtenarengerecht die hoedanigheid. Deze conclusie is nauw verbonden met de vraag van de samenstelling van een gerecht die volgens de rechtspraak van het Hof de hoeksteen van het recht op een eerlijk proces vormt.(12)
28. Voorts heeft de partij die in het ongelijk is gesteld, als gevolg van het arrest ten gronde van het Gerecht in hogere voorziening, de mogelijkheid verloren om gebruik te maken van het recht op rechterlijke bescherming door het instellen van een hogere voorziening.(13) Op dit punt dient eraan te worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof(14) het beginsel van doeltreffende rechterlijke bescherming een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht vormt dat voortvloeit uit de constitutionele tradities die de lidstaten gemeen hebben en is neergelegd in de artikelen 6 en 13 EVRM, terwijl het overigens wederom is bevestigd in artikel 47 van het op 7 december 2000 te Nice bekendgemaakte Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.(15)
29. Ten slotte dient te worden vastgesteld dat het arrest van het Gerecht van 6 mei 2009 als gevolg van de onjuiste uitlegging van artikel 13, lid 1, van de bijlage bij het Statuut van het Hof een gebrek vertoont.
Aantasting van de eenheid of de samenhang van het gemeenschapsrecht door het arrest van het Gerecht van 6 mei 2009
30. Mijns inziens heeft de onjuiste uitlegging van artikel 13, lid 1, van de bijlage bij het Statuut van het Hof consequenties die het kader van het geschil tussen M en het EMEA te buiten gaan en tast het arrest van het Gerecht van 6 mei 2009, dat op een onjuiste uitlegging berust, dus de eenheid en de samenhang van het gemeenschapsrecht aan.
31. Zoals ik in punt 6 reeds heb vermeld, kan een onjuiste beslissing slechts een bedreiging vormen voor de eenheid of de samenhang van het gemeenschapsrecht wanneer zij in strijd is met een van de algemene beginselen van gemeenschapsrecht. Mijns inziens is in casu aan deze voorwaarde voldaan.
32. De onjuiste uitlegging van artikel 13, lid 1, van de bijlage bij het Statuut van het Hof heeft geleid tot schending van het recht om te worden gehoord voor het Ambtenarengerecht, dat in casu als enige rechter materieel bevoegd was om de feiten vast te stellen overeenkomstig het beginsel van hoor en wederhoor teneinde uitspraak te doen over de grond van de zaak. Het recht op een eerlijk proces, dat volgens de rechtspraak van het Hof(16) een grondrecht vormt dat de Europese Unie krachtens artikel 6, lid 2, EU eerbiedigt als algemeen beginsel, is ook geschonden, aangezien het recht om te worden gehoord een van de elementen daarvan is.
33. Zoals ik reeds in punt 27 naar voren heb gebracht, heeft het Gerecht met zijn uitspraak ten gronde ook het beginsel van de wettelijk bevoegde rechter en het recht op rechterlijke bescherming door het instellen van een hogere voorziening geschonden, die beide mede voortvloeien uit het recht op een eerlijk proces.
34. Uit het voorgaande volgt dat het arrest van het Gerecht van 6 mei 2009 de eenheid en de samenhang van het gemeenschapsrecht aantast.
Omvang van de vernietiging van het arrest van het Gerecht van 6 mei 2009
35. Hoewel ik mij bewust ben van de omvang van de heroverweging van het arrest van het Gerecht van 6 mei 2009, die bij de beslissing van het Hof van 24 juni 2009 is vastgesteld, wijst het resultaat van de heroverweging van dit arrest op schending van verschillende aspecten van het recht op een eerlijk proces in de daaraan voorafgaande procedure voor het Gerecht. De gevolgen van de schending van dit grondrecht betreffen het arrest van het Gerecht van 6 mei 2009 in zijn geheel.(17) Derhalve geef ik het Hof in overweging dit arrest volledig te vernietigen en naar het Gerecht te verwijzen.
36. Mijns inziens kan niet worden verklaard welke gevolgen van de beslissing van het Gerecht ten aanzien van de partijen in het geschil als definitief moeten worden beschouwd in de zin van artikel 62 ter, eerste alinea, van het Statuut van het Hof. Aangezien de feitelijke grondslag in strijd met het recht op een eerlijk proces is vastgesteld, kan het Hof evenmin de zaak zelf afdoen in de zin van artikel 62 ter, eerste alinea, van het Statuut van het Hof.
Conclusie
37. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging:
1) Het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Kamer voor hogere voorzieningen) van 6 mei 2009, M/EMEA (T‑12/08 P), tast de eenheid en de samenhang van het gemeenschapsrecht aan doordat dit Gerecht als rechter in hogere voorziening het begrip „zaak in staat van wijzen” in de zin van artikel 61 van het Statuut van het Hof van Justitie en artikel 13, lid 1, van de bijlage bij dat Statuut aldus heeft uitgelegd dat het hem is toegestaan een zaak aan zich te houden en uitspraak te doen over de grond van de zaak, ook al had de hogere voorziening waarvan het kennis diende te nemen, betrekking op de behandeling in eerste aanleg van een exceptie van niet-ontvankelijkheid.
2) Het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 6 mei 2009, M/EMEA (T‑12/08 P), wordt vernietigd.
3) De zaak wordt verwezen naar het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen.
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – C‑197/09 RX, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie.
3 – T‑12/08 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie.
4 – Deze mogelijkheid is vastgelegd in artikel 225, lid 2, tweede alinea, EG en de artikelen 62, 62 bis en 62 ter van het Statuut van het Hof.
5 – Onder „onjuiste beslissing” moet worden verstaan een beslissing die onjuist is in materieelrechtelijk opzicht of een beslissing die juist is in materieelrechtelijk opzicht maar voortvloeit uit de onjuiste toepassing van de procesregels.
6 – Zie arrest van 15 oktober 2009, Audiolux e.a. (C‑101/08, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 63).
7 – F‑23/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie.
8 – Het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken is pas in werking getreden op 1 november 2007 – tot dan werd het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg toegepast op het Gerecht voor ambtenarenzaken krachtens artikel 3, lid 4, van besluit 2004/752/EG, Euratom van de Raad van 2 november 2004 tot instelling van een Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie.
9 – Dezelfde verplichting rust op het Hof bij uitspraken in hogere voorziening overeenkomstig artikel 61 van het Statuut van het Hof, al is deze bepaling licht anders geformuleerd.
10 – Artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht was toentertijd mutatis mutandis van toepassing op het Ambtenarengerecht krachtens artikel 3, lid 4, van besluit 2004/752/EG, Euratom van de Raad van 2 november 2004 tot instelling van een Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie.
11 – In casu spelen het EG-Verdrag en het Statuut van het Hof de rol van wet.
12 – Zie in die zin arrest van 19 februari 2009, Gorostiaga Atxalandabaso/Parlement (C‑308/07 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 42).
13 – Op voorwaarde dat het procesrecht uitdrukkelijk voorziet in een dergelijke hogere voorziening.
14 – Zie in die zin arrest van 16 juli 2009, Mono Car Styling (C‑12/08, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
15 – PB C 364, blz. 1.
16 – Zie in die zin arrest Gorostiaga Atxalandabaso/Parlement (aangehaald in voetnoot 12, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
17 – Deze conclusie betreft ook het punt van het dictum inzake de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy