6.6.2009
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 129/15
Beroep ingesteld op 4 maart 2009 — Duitsland/Commissie
(Zaak T-97/09)
2009/C 129/26
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Bondsrepubliek Duitsland (vertegenwoordigers: M. Lumma, bijgestaan door C. von Donat, Rechtsanwalt)
Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies
—
Vernietiging van beschikking C(2008) 8465 def. van de Commissie van 19 december 2008 houdende vermindering van de financiële bijstand van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) die aanvankelijk was toegekend ten gunste van het operationele programma in de doelstelling-1-regio Land Sachsen in de Bondsrepubliek Duitsland (1994-1999) overeenkomstig beschikking C(94) 1939/4 van de Commissie van 5 augustus 1994, beschikking C(94) 2273/4 van de Commissie van 22 augustus 1994 en beschikking C(94) 1425 van de Commissie van 6 september 1994;
—
de Commissie verwijzen in de kosten van de procedure.
Middelen en voornaamste argumenten
Verzoekster komt op tegen beschikking C(2008) 8465 def. van de Commissie van 19 december 2008 houdende vermindering van de financiële bijstand van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) die aanvankelijk was toegekend ten gunste van het operationele programma in de doelstelling-1-regio Land Sachsen in de Bondsrepubliek Duitsland (1994-1999).
Verzoekster baseert haar beroep op de volgende gronden:
In de eerste plaats ontbreekt een rechtsgrondslag om de financiële correcties voor de jaren 1994-1999 forfaitair te bepalen en te extrapoleren.
In de tweede plaats is de bestreden beschikking in strijd met artikel 24, lid 2 van verordening (EEG) nr. 4253/88 (1), omdat aan de voorwaarden voor vermindering niet was voldaan.
De Commissie heeft inzonderheid het begrip „onregelmatigheid” onjuist opgevat en belangrijke feitelijke elementen onjuist vastgesteld. Het oordeel dat stelselmatig fouten bij het beheer en het toezicht zijn gemaakt, berust op onjuiste feitelijke vaststellingen.
Subsidiair betoogt verzoekster dat de Commissie de haar op grond van artikel 24, lid 2, van verordening nr. 4253/88 toekomende beoordelingsbevoegdheid niet heeft uitgeoefend. De forfaitaire correcties zijn onevenredig en de extrapolatie is gebrekkig uitgevoerd.
Voorts komt verzoekster op tegen de ontoereikende motivering van de bestreden beschikking. Hieruit blijkt niet waar de hoogte van de toegepaste forfaitaire berekeningen uit is afgeleid.
Tot slot betoogt verzoekster dat verweerster het beginsel van partnerschap heeft geschonden, daar zij zich ondanks de bevestiging dat de beheers- en controlesystemen in een beheersovereenkomst kunnen functioneren in de bestreden beschikking erop beroept dat de beheerssystemen stelselmatig gebreken vertonen.
(1) Verordening (EEG) nr. 4253/88 van de Raad van 19 december 1988 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van verordening (EEG) nr. 2052/88 met betrekking tot de coördinatie van de bijstandsverlening uit de onderscheiden Structuurfondsen enerzijds en van die bijstandsverlening met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten anderzijds (PB 1988, L 374, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy