18.7.2009
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 167/13
Beroep ingesteld op 24 april 2009 — Würth en Fasteners (Shenyang)/Raad
(Zaak T-162/09)
2009/C 167/28
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partijen: Adolf Würth GmbH & Co. KG (Künzelsau, Duitsland) en Arnold Fasteners (Shenyang) Co. Ltd (Shenyang, China) (vertegenwoordigers: M. Karl en M. Mayer, advocaten)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie
Conclusies
—
verordening (EG) nr. 91/2009 van de Raad van 26 januari 2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen van oorsprong uit de Volksrepubliek China nietig verklaren; of subsidiair
—
verordening (EG) nr. 91/2009 van de Raad van 26 januari 2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen van oorsprong uit de Volksrepubliek China nietig verklaren voor zover verzoeksters hierdoor elk individueel worden geraakt; en
—
de Raad verwijzen in de in verband met dit beroep gemaakte kosten van vertegenwoordiging in rechte, andere kosten en honoraria.
Middelen en voornaamste argumenten
Op voorstel van de Commissie heeft de Raad op 26 januari 2009, op basis van de zogeheten antidumpingbasisverordening (1), verordening (EG) nr. 91/2009 van de Raad van 26 januari 2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen van oorsprong uit de Volksrepubliek China (2) vastgesteld.
Verzoeksters voeren aan dat zij door de bij deze verordening ingevoerde antidumpingrechten worden geraakt en vorderen (in zoverre) nietigverklaring van de verordening.
Tot staving van hun beroep wijzen verzoekster met hun eerste middel op een kennelijke vormfout in de antidumpingprocedure.
Met het tweede tot en met het zesde middel voeren verzoeksters schending van gemeenschapsrecht van hogere orde aan:
—
de Commissie heeft niet zorgvuldig en onpartijdig alle relevante aspecten van het concrete geval onderzocht en de feiten ontoereikend en onvolledig onderzocht, zodat de motiveringsplicht van artikel 253 EG is geschonden;
—
de normale waarde waarvan in verordening nr. 91/2009 is uitgegaan, is vastgesteld in strijd met artikel 2, lid 7, sub a, van verordening nr. 384/96 en geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting;
—
de drempels voor de ontvankelijkheid van een antidumpingprocedure als bedoeld in artikel 5, lid 4, derde volzin, van verordening nr. 384/96 zijn niet bereikt;
—
het begrip „soortgelijke product” in de zin van artikel 1, lid 4, van verordening nr. 384/96 is in de bestreden verordening te ver uitgerekt, omdat de in de Volksrepubliek China vervaardigde betrokken producten en de in de Gemeenschap vervaardigde producten niet vergelijkbaar en niet verwisselbaar zijn;
—
er is geen sprake van schade voor de gemeenschapsindustrie zoals in de artikelen 1, lid 1, en 3 van verordening nr. 384/96 is vereist voor de vaststelling van antidumpingrechten.
Ten slotte beroepen verzoeksters zich met hun zevende middel op misbruik van de discretionaire bevoegdheid van de gemeenschapsinstellingen bij de toetsing van de criteria van schade, causaliteit en gemeenschapsbelang.
(1) Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 1996, L 56, blz. 1), laatstelijk gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2117/2005 (PB L 340, blz. 17).
(2) Verordening (EG) nr. 91/2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L 29, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy