28.1.2012
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 25/6
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 24 november 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Hof van beroep te Brussel — België) — Scarlet Extended NV/Belgische Vereniging van Auteurs, Componisten en Uitgevers CVBA (SABAM)
(Zaak C-70/10) (1)
(Informatiemaatschappij - Auteursrecht - Internet - „Peer-to-peer”-programma’s - Internetproviders - Invoering van systeem waarbij elektronische communicatie wordt gefilterd om met auteursrechten strijdige uitwisseling van bestanden te voorkomen - Geen algemene verplichting van toezicht op doorgegeven informatie)
2012/C 25/10
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Hof van beroep te Brussel
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Scarlet Extended NV
Verwerende partij: Belgische Vereniging van Auteurs, Componisten en Uitgevers CVBA (SABAM)
in tegenwoordigheid van: Belgian Entertainment Association Video VZW (BEA Video), Belgian Entertainment Association Music VZW (BEA Music), Internet Service Provider Association VZW (ISPA),
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Hof van beroep te Brussel — Uitlegging van de richtlijnen: — 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB L 167, blz. 10), — 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten (PB 157, blz. 45), — 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281, blz. 31), — 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt („richtlijn inzake elektronische handel”) (PB L 178, blz. 1), — 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie („richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie”) (PB L 201, blz. 37) — Behandeling van gegevens die via internet worden verzonden — Algemene en preventieve invoering door de netwerkoperatoren van een systeem voor het filteren van elektronische communicatie ter identificatie van consumenten die worden verondersteld bestanden te gebruiken die inbreuk maken op auteursrechten of naburige rechten — Ambtshalve toepassing van het evenredigheidsbeginsel door de nationale rechter — Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden — Recht op eerbiediging van het privéleven — Recht op vrije meningsuiting
Dictum
De richtlijnen:
—
2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt („richtlijn inzake elektronische handel”);
—
2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij;
—
2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten;
—
95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en
—
2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie),
samen gelezen en uitgelegd tegen de achtergrond van de vereisten die voortvloeien uit de bescherming van de toepasselijke grondrechten, moeten aldus worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat een internetprovider door de rechter wordt gelast een filtersysteem in te voeren
—
voor alle elektronische communicatie via zijn diensten, met name door het gebruik van „peer-to-peer”-programma’s;
—
dat zonder onderscheid op al zijn klanten wordt toegepast;
—
dat preventief werkt;
—
dat uitsluitend door hem wordt bekostigd, en
—
dat geen beperking in de tijd kent,
dat in staat is om op het netwerk van deze provider het verkeer van elektronische bestanden die een muzikaal, cinematografisch of audiovisueel werk bevatten waarop de verzoeker intellectuele-eigendomsrechten zou hebben, te identificeren, om de overbrenging van bestanden waarvan de uitwisseling het auteursrecht schendt, te blokkeren.
(1) PB C 113 van 1.5.2010.
Full & Egal Universal Law Academy