22.10.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 311/9
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 8 september 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel — België) — Q-Beef NV (C-89/10), Frans Bosschaert (C-96/10)/Belgische Staat (C-89/10), Belgische Staat, Vleesgroothandel Georges Goossens en Zonen NV, Slachthuizen Goossens NV (C-96/10)
(Gevoegde zaken C-89/10 en C-96/10) (1)
(Nationale heffingen die met Unierecht onverenigbaar zijn - Heffingen betaald op grond van stelsel van financiële steun en heffingen dat met Unierecht onverenigbaar is verklaard - Stelsel vervangen door nieuw stelsel dat verenigbaar is verklaard - Terugbetaling van onverschuldigd betaalde heffingen - Gelijkwaardigheids- en effectiviteitsbeginsel - Verjaringstermijn - Dies a quo - Schuldvorderingen jegens staat en jegens particulieren - Verschillende termijnen)
2011/C 311/11
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Rechtbank van eerste aanleg te Brussel
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Q-Beef NV (C-89/10), Frans Bosschaert (C-96/10)
Verwerende partijen: Belgische Staat (C-89/10), Belgische Staat, Vleesgroothandel Georges Goossens en Zonen NV, Slachthuizen Goossens NV (C-96/10)
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Rechtbank van eerste aanleg te Brussel — Uitlegging van het gemeenschapsrecht met betrekking tot het gelijkwaardigheids- en het effectiviteitsbeginsel — Nationale heffingen onverenigbaar met het gemeenschapsrecht — Heffingen betaald op basis van een stelsel van financiële steun en heffingen dat met het gemeenschapsrecht onverenigbaar is verklaard — Stelsel vervangen door nieuw stelsel dat verenigbaar is verklaard — Terugbetaling van onrechtmatig geïnde heffingen — Verjaringstermijn
Dictum
1)
Het Unierecht staat er in omstandigheden als die van de hoofdgedingen niet aan in de weg dat een in het nationale recht voor schuldvorderingen jegens de staat bepaalde verjaringstermijn van vijf jaar wordt toegepast op vorderingen tot terugbetaling van heffingen die in strijd met het Unierecht zijn betaald uit hoofde van een „gemengd stelsel van steun en heffingen”.
2)
Het Unierecht staat niet in de weg aan een nationale regeling die in omstandigheden als die van het hoofdgeding een particulier een langere termijn toekent om heffingen terug te vorderen van een andere particulier die als tussenpersoon is opgetreden, aan wie hij deze heffingen onverschuldigd heeft betaald en die deze heffingen voor rekening van de eerste particulier aan de staat heeft betaald, terwijl voor zijn vordering een kortere, van het gemeenrecht inzake de terugvordering van het onverschuldigd betaalde afwijkende terugvorderingstermijn van toepassing zou zijn geweest indien hij deze heffingen rechtstreeks aan de staat had betaald, wanneer de als tussenpersonen optredende particulieren de eventueel voor andere particulieren betaalde bedragen daadwerkelijk kunnen terugvorderen van de staat.
3)
In omstandigheden als die van de hoofdgedingen heeft het feit dat het Hof in een prejudicieel arrest vaststelt dat de terugwerkende kracht van de aan de orde zijnde nationale regeling onverenigbaar is met het Unierecht geen invloed op het vertrekpunt van de in het nationale recht voor schuldvorderingen jegens de staat bepaalde verjaringstermijn.
(1) PB C 113 van 1.5.2010.
Full & Egal Universal Law Academy