2.7.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 194/5
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 12 mei 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Administrativen sad Sofia-grad — Bulgarije) — Enel Maritsa Iztok 3 AD/Direktor „Obzhalvane i upravlenie na izpalnenieto” NAP
(Zaak C-107/10) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Btw - Richtlijnen 77/388/EEG en 2006/112/EG - Teruggaaf - Termijn - Rente - Verrekening - Beginsel van fiscale neutraliteit en evenredigheidsbeginsel - Bescherming van gewettigd vertrouwen)
2011/C 194/06
Procestaal: Bulgaars
Verwijzende rechter
Administrativen sad Sofia-grad
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Enel Maritsa Iztok 3 AD
Verwerende partij: Direktor „Obzhalvane i upravlenie na izpalnenieto” NAP
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Administrativen sad Sofia-grad — Uitlegging van artikel 18, lid 4, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1) en artikel 183, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1) — Dwingende termijn voor teruggaaf van btw-overschot, na afloop waarvan de berekening van de aan de belastingplichtige verschuldigde rente plaatsvindt — Wijziging van de nationale regeling, inhoudende dat die berekening in het geval van een belastingcontrole plaatsvindt vanaf de datum van de aanslag waarbij de controle wordt beëindigd — Redelijke termijn — Mogelijkheid van teruggaaf van btw-overschot door verrekening van het terug te geven bedrag met de door de belastingplichtige te betalen belastingbedragen — Beginsel van fiscale neutraliteit en evenredigheidsbeginsel
Dictum
1)
Artikel 183 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, zoals gewijzigd bij richtlijn 2006/138/EG van de Raad van 19 december 2006, gelezen in samenhang met het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling volgens welke de termijn voor teruggave van een overschot aan belasting over de toegevoegde waarde met terugwerkende kracht wordt verlengd, voor zover krachtens deze regeling de belastingplichtige het vóór inwerkingtreding ervan verworven recht op vertragingsrente over het aan hem terug te geven bedrag wordt ontnomen.
2)
Artikel 183 van richtlijn 2006/112, zoals gewijzigd bij richtlijn 2006/138, gelezen in samenhang met het beginsel van fiscale neutraliteit, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling volgens welke de normale termijn voor teruggave van het overschot aan belasting over de toegevoegde waarde, na afloop waarvan vertragingsrente over het terug te geven bedrag verschuldigd is, wordt verlengd ingeval een belastingcontrole wordt ingesteld, aangezien deze verlenging tot gevolg heeft dat deze rente pas verschuldigd is na beëindiging van deze controle, terwijl dat overschot reeds is overgebracht in de drie belastingtijdvakken die volgen op dat waarin het is ontstaan. Het feit dat deze normale termijn 45 dagen bedraagt, is daarentegen niet in strijd met deze bepaling.
3)
Artikel 183 van richtlijn 2006/112, zoals gewijzigd bij richtlijn 2006/138, moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet ertegen verzet dat teruggave van het overschot aan belasting over de toegevoegde waarde via verrekening gebeurt.
(1) PB C 134 van 22.5.2010.
Full & Egal Universal Law Academy