29.10.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 319/7
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 15 september 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Supreme Court of the United Kingdom — Verenigd Koninkrijk) — Williams e.a./British Airways plc
(Zaak C-155/10) (1)
(Arbeidsvoorwaarden - Richtlijn 2003/88/EG - Organisatie van arbeidstijd - Recht op jaarlijkse vakantie - Lijnpiloten)
2011/C 319/11
Procestaal: Engels
Verwijzende rechter
Supreme Court of the United Kingdom
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Williams e.a.
Verwerende partij: British Airways plc
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Supreme Court of the United Kingdom — Uitlegging van artikel 7 van richtlijn 93/104/EG van de Raad van 23 november 1993 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (PB L 307, blz. 18) en artikel 7 van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (PB L 299, blz. 9) — Omvang van de door de richtlijn voorgeschreven verplichtingen met betrekking tot de aard en de hoogte van de vergoedingen voor de jaarlijkse vakantie met behoud van loon — Vrijheid van de lidstaten bij de regeling daarvan — Jaarlijkse vakantie met behoud van loon voor lijnpiloten
Dictum
Artikel 7 van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd en clausule 3 van de overeenkomst die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 2000/79/EG van de Raad van 27 november 2000 inzake de inwerkingstelling van de Europese Overeenkomst betreffende de organisatie van de arbeidstijd van mobiel personeel in de burgerluchtvaart gesloten door de Association of European Airlines (AEA), de European Transport Workers’ Federation (ETF), de European Cockpit Association (ECA), de European Regions Airline Association (ERA) en de International Air Carrier Association (IACA), moeten aldus worden uitgelegd dat een lijnpiloot tijdens zijn jaarlijkse vakantie niet alleen recht heeft op behoud van zijn basissalaris maar ook op alle componenten die intrinsiek samenhangen met de taken die hem in zijn arbeidsovereenkomst zijn opgedragen en waarvoor hij in het kader van zijn globale beloning een financiële vergoeding ontvangt en voorts ook alle componenten die samenhangen met het personeels en beroepsstatuut van de lijnpiloot.
Het staat aan de nationale rechter om te beoordelen of de diverse componenten waaruit de globale beloning van die werknemer bestaat, aan deze criteria voldoen.
(1) PB C 161 van 19.6.2010.
Full & Egal Universal Law Academy