31.3.2012
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 98/5
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 16 februari 2012 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Grondwettelijk Hof (voorheen Arbitragehof) — België) — Marie-Noëlle Solvay e.a./Waals Gewest
(Zaak C-182/10) (1)
(Milieueffectbeoordeling van projecten - Begrip „wet” - Waarde en draagwijdte van preciseringen in Toepassingsgids met betrekking tot Verdrag van Aarhus - Vergunning van project zonder passende milieueffectbeoordeling - Toegang tot rechter inzake milieuaangelegenheden - Omvang van recht om beroep in te stellen - Habitatrichtlijn - Plan of project dat natuurlijke kenmerken van gebied aantast - Dwingende reden van groot openbaar belang)
2012/C 98/06
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Grondwettelijk Hof (voorheen Arbitragehof)
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Marie-Noëlle Solvay, Le Poumon vert de la Hulpe ASBL, Jean-Marie Solvay de la Hulpe, Alix Walsh, Association des Riverains et Habitants des Communes Proches de l'Aéroport B.S.C.A. (Brussels South Charleroi Airport) ASBL — A.R.A.Ch, Grégoire Stassin, André Gilliard, Paul Fastrez, Henriette Fastrez, Vlaamse Regering, Inter-Environnement Wallonie ASBL, Nicole Laloux, François Gevers, Annabelle Denoël-Gevers, Marc Traversin, Joseph Melard, Chantal Michiels, Thierry Regout, René Canfin, Georges Lahaye, Jeanine Postelmans, Christophe Dehousse, Christine Lahaye, Jean-Marc Lesoinne, Jacques Teheux, Anne-Marie Larock, Bernadette Mestdag, Jean-François Seraffin, Françoise Mahoux, Ferdinand Wallraf, Mariel Jeanne, Agnès Fortemps, Georges Seraffin, Jeannine Melen, Groupement Cerexhe-Heuseux/Beaufays ASBL, Action et Défense de l'Environnement de la vallée de la Senne et de ses affluents ASBL, Réserves naturelles RNOB ASBL, Stéphane Banneux, Zénon Darquenne, Philippe Daras, Bernard Croiselet, Bernard Page, Intercommunale du Brabant Wallon SCRL, Les amis de la Forêt de Soignes ASBL, Jacques Solvay de la Hulpe, La Hulpe, Notre village ASBL, André Philips, Charleroi South Air Pur ASBL, Pierre Grymonprez, Sartau SA, Philippe Grisard de la Rochette, Antoine Boxus, Pierre Deneye, Jean-Pierre Olivier, Paul Thiry, Willy Roua, Guido Durlet, Agrebois SA, Yves de la Court
Verwerende partij: Waals Gewest
in tegenwoordigheid van: Infrabel SA, Codic Belgique SA, Federal Express European Services Inc. (FEDEX), Société wallonne des aéroports (SOWEAR), Société régionale wallonne du transport (SRWT), Société Intercommunale du Brabant wallon (IBW)
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Grondwettelijk Hof (voorheen Arbitragehof) — Uitlegging van de artikelen 2 (punt 2), 3 (lid 9), 6 (lid 9) en 9 (leden 2, 3 en 4) van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, gesloten op 25 juni 1998 en namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2005/370/EG van de Raad van 17 februari 2005 (PB L 124, blz. 1) — Uitlegging van de artikelen 1 (lid 5), 9 (lid 1) en 10 bis van richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 175, blz. 40) — Uitlegging van artikel 6, leden 3 en 4, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206, blz. 7) — Begrip „overheidsinstantie” — Waarde en draagwijdte van de preciseringen in de Toepassingsgids met betrekking tot het Verdrag van Aarhus — Uitsluiting van de werkingssfeer van het Verdrag van wetgevende akten, zoals stedenbouwkundige of milieuvergunningen die zijn verleend op basis van een decreet van een gewestelijke wetgever — Verenigbaarheid met het Verdrag en het gemeenschapsrecht van een procedure na afloop waarvan vergunningen worden afgegeven waartegen enkel beroep kan worden ingesteld bij het Grondwettelijk Hof en de gerechten van de rechterlijke orde — Vergunning van een project zonder passende milieueffectbeoordeling
Dictum
1)
Bij de uitlegging van de artikelen 2, lid 2, en 9, lid 4, van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, dat op 25 juni 1998 is ondertekend en namens de Europese Gemeenschap is goedgekeurd bij besluit 2005/370/EG van de Raad van 17 februari 2005, mag weliswaar rekening worden gehouden met de Toepassingsgids met betrekking tot dit verdrag, die evenwel niet verbindend is en niet de normatieve werking heeft van de bepalingen van dit verdrag.
2)
Artikel 2, lid 2, van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden en artikel 1, lid 5, van richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd bij richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003, moeten aldus worden uitgelegd dat van de respectieve werkingssferen van deze teksten enkel projecten zijn uitgesloten die in detail worden aangenomen via een specifieke wet, zodat de met deze teksten nagestreefde doelen via de wetgevingsprocedure zijn bereikt. Het staat aan de nationale rechter om, rekening houdend zowel met de inhoud van de vastgestelde wet als met de volledige wetgevingsprocedure die tot de vaststelling ervan heeft geleid, in het bijzonder met de voorbereidende handelingen en de parlementaire debatten, na te gaan of aan deze twee voorwaarden is voldaan. In dit verband kan een wet die een reeds bestaande bestuurshandeling zuiver en eenvoudig „ratificeert”, en daarbij louter gewag maakt van dringende redenen van algemeen belang zonder dat eerst een wetgevingsprocedure ten gronde is gevoerd om aan die voorwaarden te voldoen, niet als een specifieke wet in de zin van deze bepaling worden aangemerkt, zodat een dergelijke wet niet volstaat om een project van de respectieve werkingssferen van dat verdrag en van die richtlijn, zoals gewijzigd, uit te sluiten.
3)
De artikelen 3, lid 9, en 9, leden 2 tot en met 4, van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden en artikel 10 bis van richtlijn 85/337, zoals gewijzigd bij richtlijn 2003/35, moeten aldus worden uitgelegd dat:
—
wanneer een binnen de werkingssfeer van deze bepalingen vallend project bij wet wordt vastgesteld, de vraag of deze wet aan de voorwaarden van artikel 1, lid 5, van deze richtlijn, zoals gewijzigd, voldoet, overeenkomstig de nationale procedureregels moet kunnen worden voorgelegd aan een rechterlijke instantie of een bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan;
—
wanneer tegen een dergelijke wet geen beroep van de hiervoor aangegeven aard en strekking mogelijk is, elke op grond van haar bevoegdheid aangezochte nationale rechterlijke instantie de in het vorige streepje beschreven toetsing dient te verrichten en in voorkomend geval daar als gevolg aan dient te verbinden dat die wet buiten toepassing wordt gelaten.
4)
Artikel 6, lid 9, van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden en artikel 9, lid 1, van richtlijn 85/337, zoals gewijzigd bij richtlijn 2003/35, moeten aldus worden uitgelegd dat zij niet vereisen dat het besluit zelf de redenen bevat op grond waarvan de bevoegde autoriteit heeft beslist dat het besluit noodzakelijk was. Ingeval een belanghebbende erom verzoekt, is de bevoegde instantie echter verplicht, hem de redenen mee te delen op grond waarvan dat besluit is genomen of hem de relevante informatie en documenten te doen toekomen in antwoord op het ingediende verzoek.
5)
Artikel 6, lid 3, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna moet aldus worden uitgelegd dat deze bepaling een nationale instantie, ook wanneer het daarbij om een wetgevende instantie gaat, niet in staat stelt toestemming te geven voor een plan of een project zonder de zekerheid te hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten.
6)
Artikel 6, lid 4, van richtlijn 92/43 moet aldus worden uitgelegd dat de verwezenlijking van een infrastructuur bestemd om er een administratief centrum te vestigen in beginsel niet kan worden beschouwd als een dwingende reden van groot openbaar belang, in voorkomend geval van sociale of economische aard, in de zin van deze bepaling, die de verwezenlijking van een plan of project dat de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied zal aantasten, kan rechtvaardigen.
(1) PB C 179 van 3.7.2010.
Full & Egal Universal Law Academy