11.2.2012
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 39/3
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 15 december 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Cour de cassation — Frankrijk) — Société Rastelli Davide e C. Snc/Jean-Charles Hidoux, in zijn hoedanigheid van curator van de vennootschap Médiasucre international
(Zaak C-191/10) (1)
(Verordening (EG) nr. 1346/2000 - Insolventieprocedures - Internationale bevoegdheid - Uitbreiding, op grond van vermenging van vermogens, van insolventieprocedure tegen in lidstaat gevestigde vennootschap tot vennootschap met statutaire zetel in andere lidstaat)
2012/C 39/04
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Cour de cassation
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Société Rastelli Davide e C. Snc
Verwerende partij: Jean-Charles Hidoux, in zijn hoedanigheid van curator van de vennootschap Médiasucre international
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Cour de cassation — Uitlegging van artikel 3, leden 1 en 2, van verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures (PB L 160, blz. 1) — Internationale bevoegdheid van de Franse rechterlijke instanties om, op grond van de vermenging van de vermogens, een insolventieprocedure tegen een op het nationale grondgebied gevestigde vennootschap uit te breiden tot een vennootschap die haar statutaire zetel in een andere lidstaat heeft — Begrippen „opening” en „uitbreiding” van een insolventieprocedure — Bepaling van het centrum van de voornaamste belangen
Dictum
1)
Verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures moet aldus worden uitgelegd dat een rechterlijke instantie van een lidstaat die de hoofdinsolventieprocedure heeft geopend tegen een vennootschap op grond dat zij het centrum van haar voornaamste belangen in deze staat heeft, deze procedure krachtens een bepaling van haar nationaal recht enkel kan uitbreiden tot een tweede vennootschap die haar statutaire zetel in een andere lidstaat heeft, indien wordt aangetoond dat het centrum van de voornaamste belangen van de tweede vennootschap in de eerste lidstaat is gelegen.
2)
Verordening nr. 1346/2000 moet aldus worden uitgelegd dat, wanneer een vordering met betrekking tot een vennootschap met statutaire zetel in een lidstaat het voorwerp uitmaakt van een vordering die ertoe strekt de gevolgen van een insolventieprocedure die in een andere lidstaat is geopend tegen een in laatstbedoelde lidstaat gevestigde vennootschap, tot haar uit te breiden, de loutere vaststelling van de vermenging van de vermogens van deze vennootschappen niet volstaat als bewijs dat het centrum van de voornaamste belangen van de vennootschap waartegen de vordering is gericht, ook in de andere lidstaat is gelegen. Ter weerlegging van het vermoeden dat dit centrum op de plaats van de statutaire zetel is gelegen, moet op grond van een integrale evaluatie van alle relevante factoren op een voor derden verifieerbare wijze kunnen worden vastgesteld, dat het werkelijke bestuurs- en toezichtcentrum van de vennootschap die het voorwerp uitmaakt van de vordering tot uitbreiding, gelegen is in de lidstaat waar de oorspronkelijke insolventieprocedure werd geopend.
(1) PB C 161 van 19.6.2010.
Full & Egal Universal Law Academy