2.7.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 194/7
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 5 mei 2011 (verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door het Finanzgericht Hamburg — Duitsland) — Ze Fu Fleischhandel GmbH (C-201/10), Vion Trading GmbH (C-202/10)/Hauptzollamt Hamburg-Jonas
(Gevoegde zaken C-201/10 en C-202/10) (1)
(Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 - Bescherming van financiële belangen van Europese Unie - Artikel 3 - Terugvordering van restitutie bij uitvoer - Dertigjarige verjaringstermijn - Verjaringsregel uit algemeen civiel recht van lidstaat - Toepassing „naar analogie” - Rechtszekerheidsbeginsel - Vertrouwensbeginsel - Evenredigheidsbeginsel)
2011/C 194/08
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Finanzgericht Hamburg
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Ze Fu Fleischhandel GmbH (C-201/10), Vion Trading GmbH (C-202/10)
Verwerende partij: Hauptzollamt Hamburg-Jonas
Voorwerp
Verzoeken om een prejudiciële beslissing — Finanzgericht Hamburg — Uitlegging van artikel 3, lid 3, van verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312, blz. 1) — Terugverordening van door exporteur ten onrechte ontvangen uitvoerrestitutie wegens door hem begane onregelmatigheden — Toepassing van nationale wettelijke regeling die in een verjaringstermijn van 30 jaar voorziet — Beginselen van rechtszekerheid en evenredigheid
Dictum
1)
In omstandigheden als die in de hoofdgedingen staat het rechtszekerheidsbeginsel in beginsel niet eraan in de weg dat de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties van een lidstaat, in de context van de in verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen vastgestelde bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie en bij de toepassing van artikel 3, lid 3, van deze verordening, op geschillen betreffende de terugbetaling van een ten onrechte betaalde uitvoerrestitutie „naar analogie” een verjaringstermijn toepassen die is ontleend aan een nationale gemeenrechtelijke bepaling, op voorwaarde echter dat een dergelijke uit een jurisprudentiële praktijk voortvloeiende toepassing voldoende voorzienbaar was, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.
2)
In omstandigheden als die in de hoofdgedingen staat het evenredigheidsbeginsel eraan in de weg dat de lidstaten, wanneer zij gebruikmaken van de hun bij artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2988/95 geboden mogelijkheid, een verjaringstermijn van dertig jaar toepassen op geschillen betreffende de terugbetaling van onterecht ontvangen restituties.
3)
In omstandigheden als die in de hoofdgedingen staat het rechtszekerheidsbeginsel eraan in de weg dat een „langere” verjaringstermijn in de zin van artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2988/95 kan voortvloeien uit een gemeenrechtelijke verjaringstermijn die door de rechtspraak is beperkt om de toepassing ervan in overeenstemming te brengen met het evenredigheidsbeginsel, aangezien de verjaringstermijn van vier jaar waarin is voorzien bij artikel 3, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 2988/95 in elk geval kan worden toegepast in dergelijke omstandigheden.
(1) PB C 209 van 31.7.2010.
Full & Egal Universal Law Academy