9.6.2012
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 165/3
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 19 april 2012 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Lietuvos Aukščiausiasis Teismas — Litouwen) — F-Tex SIA/Lietuvos-Anglijos UAB „Jadecloud-Vilma”
(Zaak C-213/10) (1)
(Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken - Verordening (EG) nr. 1346/2000 - Artikel 3, lid 1 - Begrip „met een insolventieprocedure verbonden vordering die er nauw mee samenhangt” - Verordening (EG) nr. 44/2001 - Artikel 1, leden 1 en 2, sub b - Begrippen „burgerlijke en handelszaken” en „faillissement” - Vordering op grond van door curator gecedeerd recht om nietigheid in te roepen)
2012/C 165/04
Procestaal: Litouws
Verwijzende rechter
Lietuvos Aukščiausiasis Teismas
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: F-Tex SIA
Verwerende partij: Lietuvos-Anglijos UAB „Jadecloud-Vilma”
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Lietuvos Aukščiausiasis Teismas — Uitlegging van artikel 3, lid 1, van verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures (PB L 160, blz. 1) en van de artikelen 1, lid 2, sub b, en 2, lid 1, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB L 12, blz. 1) — Internationale bevoegdheid om te beslissen op een actio pauliana die rechtstreeks en nauw samenhangt met een insolventieprocedure — Bevoegdheidsconflict tussen het gerecht waar de insolventieprocedure aanhangig is, en het gerecht van de woonplaats van de verweerder — Actio pauliana die de enige schuldeiser van de gefailleerde vennootschap na de inleiding van de insolventieprocedure heeft ingesteld in een andere lidstaat dan waarin de insolventieprocedure plaatsvindt, nadat de curator hem vorderingen van de vennootschap op derden had gecedeerd
Dictum
Artikel 1, lid 1, van verordening nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, moet aldus worden uitgelegd dat de vordering die door een verzoeker tegen een derde wordt ingesteld op basis van een door de curator in een insolventieprocedure gecedeerde vordering, met als voorwerp het recht om de nietigheid van handelingen in te roepen dat die curator heeft krachtens de op die procedure toepasselijke nationale wettelijke regeling, onder het begrip burgerlijke en handelszaken in de zin van die bepaling valt.
(1) PB C 195 van 17.7.2010.
Full & Egal Universal Law Academy