30.4.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 130/8
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 3 maart 2011 (verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door de Cour de cassation du Grand-Duché de Luxembourg — Luxemburg) — David Claes/Landsbanki Luxembourg SA, in liquidatie
(Gevoegde zaken C-235/10 tot en met C-239/10) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Sociale politiek - Richtlijn 98/59/EG - Collectief ontslag - Onmiddellijke beëindiging van arbeidsovereenkomst ingevolge rechterlijke beslissing waarbij ontbinding en liquidatie worden gelast van werkgever-rechtspersoon - Geen raadpleging van vertegenwoordigers van werknemers - Gelijkstelling van liquidateur met werkgever)
2011/C 130/14
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Cour de cassation du Grand-Duché de Luxembourg
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: David Claes (C-235/10), Sophie Jeanjean (C-236/10), Miguel Rémy (C-237/10), Volker Schneider (C-238/10), Xuan-Mai Tran (C-239/10)
Verwerende partij: Landsbanki Luxembourg SA, in liquidatie
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Cour de cassation (Luxemburg) — Uitlegging van de artikelen 1, 2 en 3 van richtlijn 98/59/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag (PB L 225, blz. 16) — Nationale bepalingen die voorzien in onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst in geval van gerechtelijke faillietverklaring naar aanleiding van de beëindiging van de werkzaamheden — Geen raadpleging van de vertegenwoordigers van de werknemers voorafgaand aan een dergelijk ontslag — Gelijkstelling van de liquidateur van de failliete boedel met de werkgever
Dictum
1)
De artikelen 1 tot en met 3 van richtlijn 98/59/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag moeten aldus worden uitgelegd dat zij van toepassing zijn op de beëindiging van de werkzaamheden van de werkgever-onderneming ten gevolge van een rechterlijke beslissing waarbij haar ontbinding en liquidatie worden gelast wegens insolvabiliteit, zelfs indien het nationale recht bij een dergelijke beëindiging voorziet in de beëindiging met onmiddellijke ingang van de arbeidsovereenkomsten van de werknemers.
2)
Tot en met de definitieve uitdoving van de rechtspersoonlijkheid van een onderneming waarvan de ontbinding en de liquidatie werden gelast, moeten de uit de artikelen 2 en 3 van richtlijn 98/59 voortvloeiende verplichtingen worden nageleefd. De ingevolgde deze artikelen op de werkgever rustende verplichtingen moeten worden nageleefd door de directie van de betrokken onderneming, indien deze aanblijft, zelfs met beperkte beheersbevoegdheden, of door de liquidateur ervan, indien hij het beheer ervan volledig heeft overgenomen.
(1) PB C 209 van 31.7.2010.
Full & Egal Universal Law Academy