12.11.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 331/4
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 22 september 2011 (verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesverwaltungsgericht — Duitsland) — Mesopotamia Broadcast A/S METV (C-244/10), Roj TV A/S (C-245/10)/Bondsrepubliek Duitsland
(Gevoegde zaken C-244/10 en C-245/10) (1)
(Richtlijn 89/552/EEG - Televisieomroepactiviteiten - Mogelijkheid voor lidstaat om op zijn grondgebied activiteit van in andere lidstaat gevestigde televisieomroeporganisatie te verbieden - Grond ontleend aan handelen in strijd met bevordering van begrip tussen volkeren)
2011/C 331/06
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bundesverwaltungsgericht
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Mesopotamia Broadcast A/S METV (C-244/10), Roj TV A/S (C-245/10)
Verwerende partij: Bondsrepubliek Duitsland
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Bundesverwaltungsgericht — Uitlegging van artikel 2 bis en artikel 22 bis van richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten (PB L 298, blz. 23), zoals gewijzigd bij richtlijn 97/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 1997 (PB L 202, blz. 60) — Verbod door de autoriteiten van een lidstaat van een activiteit van een in een andere lidstaat gevestigde radio- en televisieomroep wegens handelen in strijd met de bevordering van het begrip tussen de volkeren — Uitsluiting van de bevoegdheid van de lidstaat van ontvangst om op zijn grondgebied uit andere lidstaten afkomstige televisie-uitzendingen te verhinderen op binnen de door richtlijn 89/552/EEG geregelde gebieden vallende gronden — Toelaatbaarheid van handelen in strijd met de bevordering van het begrip tussen de volkeren als binnen de door deze richtlijn geregelde gebieden vallende verbodsgrond
Dictum
Artikel 22 bis van richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 1997, moet aldus worden uitgelegd dat omstandigheden zoals die welke in de hoofdgedingen aan de orde zijn, waarop een nationale rechtsregel van toepassing is op grond waarvan het verboden is te handelen in strijd met de bevordering van het begrip tussen de volkeren, moeten worden geacht te vallen onder het begrip „aansporing tot haat op grond van ras, geslacht, godsdienst of nationaliteit”. Dit artikel staat er niet aan in de weg dat een lidstaat krachtens een algemene wettelijke regeling, zoals de wet op het publieke verenigingsrecht (Gesetz zur Regelung des öffentlichen Vereinsrechts) van 5 augustus 1964, zoals gewijzigd bij artikel 6 van de wet van 21 december 2007, maatregelen vaststelt ten aanzien van een in een andere lidstaat gevestigde televisieomroeporganisatie, en daarbij als reden aanvoert dat de activiteiten en de doelstellingen van deze organisatie in strijd zijn met het verbod van handelen in strijd met de bevordering van het begrip tussen de volkeren, mits deze maatregelen geen beletsel vormen voor het eigenlijke doorgeven op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst van de televisie-uitzendingen welke die organisatie vanuit de andere lidstaat verricht, hetgeen door de nationale rechter moet worden nagegaan.
(1) PB C 234 van 28.8.2010.
Full & Egal Universal Law Academy