12.11.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 331/5
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 22 september 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas — Republiek Litouwen) — Genovaitė Valčiukienė, Julija Pekelienė, Lietuvos žaliųjų judėjimas, Petras Girinskis, Laurynas Arimantas Lašas/Pakruojo rajono savivaldybės, Šiaulių visuomenės sveikatos centras, Šiaulių regiono aplinkos apsaugos departamentas
(Zaak C-295/10) (1)
(Richtlijn 2001/42/EG - Milieueffectbeoordeling van bepaalde plannen en programma’s - Plannen bepalend voor gebruik van kleine gebieden op lokaal niveau - Artikel 3, lid 3 - Documenten inzake ruimtelijke ordening op lokaal niveau waarin wordt verwezen naar slechts één voorwerp van economische activiteit - Beoordeling krachtens richtlijn 2001/42/EG in nationaal recht uitgesloten - Beoordelingsvrijheid van lidstaten - Artikel 3, lid 5 - Verband met richtlijn 85/337/EEG - Artikel 11, leden 1 en 2, van richtlijn 2001/42/EG)
2011/C 331/07
Procestaal: Litouws
Verwijzende rechter
Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Genovaitė Valčiukienė, Julija Pekelienė, Lietuvos žaliųjų judėjimas, Petras Girinskis, Laurynas Arimantas Lašas
Verwerende partijen: Pakruojo rajono savivaldybės, Šiaulių visuomenės sveikatos centras, Šiaulių regiono aplinkos apsaugos departamentas
In tegenwoordigheid van: Sofita UAB, Oltas UAB, Šiaulių apskrities viršininko administracija, Rimvydas Gasparavičius, Rimantas Pašakinskas
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas — Uitlegging van artikelen 3 en 11 van richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s (PB L 197, blz. 30), en van richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 175, blz. 40) — Vraag of een beoordeling moet worden uitgevoerd krachtens richtlijn 2001/42/EG nadat reeds een beoordeling is uitgevoerd uit hoofde van richtlijn 85/337/EEG — Nationale wettelijke regeling krachtens welke geen strategische milieueffectbeoordeling behoeft te worden uitgevoerd van ruimtelijke-ordeningsplannen op lokaal niveau, wanneer die plannen betrekking hebben op slechts één voorwerp van economische activiteit
Dictum
1)
Artikel 3, lid 5, van richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 3, hiervan, moet in die zin worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die op een zo algemene wijze en zonder onderzoek per individueel geval bepaalt dat wanneer in de plannen die het gebruik van kleine gebieden op lokaal niveau bepalen wordt verwezen naar slechts één voorwerp van economische activiteit, er geen beoordeling overeenkomstig die richtlijn behoeft te worden uitgevoerd.
2)
Artikel 11, leden 1 en 2, van richtlijn 2001/42, moet in die zin worden uitgelegd dat een krachtens richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997, uitgevoerde milieubeoordeling niet de verplichting opheft om een dergelijke beoordeling krachtens richtlijn 2001/42 uit te voeren. Het staat evenwel aan de verwijzende rechter om na te gaan of een krachtens richtlijn 85/337, zoals gewijzigd, uitgevoerde beoordeling kan worden aangemerkt als de uitdrukking van een gecoördineerde of gezamenlijke procedure en of deze reeds alle voorschriften van richtlijn 2001/42 dekt. Indien dat het geval blijkt te zijn, bestaat er geen verplichting meer om een nieuwe beoordeling uit te voeren krachtens laatstgenoemde richtlijn.
3)
Artikel 11, lid 2, van richtlijn 2001/42 moet in die zin worden uitgelegd dat het de lidstaten niet verplicht om in het nationale recht te voorzien in gezamenlijke of gecoördineerde procedures die voldoen aan de voorschriften van de richtlijnen 2001/42 en 85/337, zoals gewijzigd.
(1) PB C 221 van 14.8.2010.
Full & Egal Universal Law Academy