28.1.2012
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 25/12
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 17 november 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Okresní soud v Chebu — Tsjechische Republiek) — Hypoteční banka a.s./Udo Mike Lindner
(Zaak C-327/10) (1)
(Rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken - Overeenkomst voor onroerend krediet, afgesloten door consument met nationaliteit van andere lidstaat dan die waar bank is gevestigd - Wettelijke regeling van lidstaat volgens welke tegen consument wiens woonplaats onbekend is, vordering kan worden ingeleid bij rechterlijke instantie van die staat)
2012/C 25/19
Procestaal: Tsjechisch
Verwijzende rechter
Okresní soud v Chebu
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Hypoteční banka a.s.
Verwerende partij: Udo Mike Lindner
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Okresní soud v Chebu — Uitlegging van artikel 81 VWEU, artikel 16, lid 2, artikel 17, lid 3, en artikel 24 van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1) en artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB L 95, blz. 29) — Bevoegdheid inzake een overeenkomst voor een onroerend krediet, die door een consument met de nationaliteit van een lidstaat is gesloten bij een in een andere lidstaat gevestigde bank — Wettelijke regeling van een lidstaat volgens welke, wanneer de woonplaats van de consument onbekend is, tegen hem een procedure kan worden ingeleid bij een rechterlijke instantie van deze staat
Dictum
1)
Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, moet aldus worden uitgelegd dat de toepassing van de bevoegdheidsregels van die verordening veronderstelt dat de situatie aan de orde in het geding dat aanhangig is bij een gerecht van een lidstaat, vragen doet rijzen over de bepaling van de internationale bevoegdheid van dat gerecht. Een dergelijke situatie doet zich voor in een zaak zoals die van het hoofdgeding, waarin bij een gerecht van een lidstaat een vordering is ingesteld tegen een onderdaan van een andere lidstaat waarvan de woonplaats bij dat gerecht onbekend is.
2)
Verordening nr. 44/2001 moet aldus worden uitgelegd dat
—
in een situatie zoals die van het hoofdgeding, waarin een consument die partij is bij een overeenkomst voor een langlopende lening voor een onroerend goed die gepaard gaat met een verplichting de medecontractant te informeren over elke adreswijziging, en die zijn woonplaats verlaat voordat tegen hem een vordering wordt ingesteld wegens schending van zijn contractuele verplichtingen, de gerechten van de lidstaat waar zich de laatste bekende woonplaats van de consument bevindt bevoegd zijn om krachtens artikel 16, lid 2, van de verordening, kennis te nemen van die vordering indien zij er niet in slagen om overeenkomstig artikel 59 van de verordening de huidige woonplaats van de verweerder te bepalen, en evenmin over afdoende aanwijzingen beschikken om de vaststelling te rechtvaardigen dat de verweerder zijn woonplaats werkelijk buiten het grondgebied van de Unie heeft;
—
die verordening zich niet verzet tegen de toepassing van een bepaling van het interne procesrecht van een lidstaat die ter vermijding van een situatie waarin de eiser de toegang tot de rechter wordt ontzegd, de mogelijkheid biedt een procedure te voeren tegen en in afwezigheid van een persoon met onbekende verblijfplaats, mits de rechter bij wie de zaak aanhangig is, alvorens uitspraak te doen, zich ervan heeft vergewist dat alle stappen die nodig zijn om de verweerder te vinden, met spoed en te goeder trouw zijn ondernomen.
(1) PB C 246 van 11.9.2010.
Full & Egal Universal Law Academy