31.3.2012
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 98/7
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 16 februari 2012 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Naczelny Sąd Administracyjny — Polen) — Pak-Holdco Sp zoo/Dyrektor Izby Skarbowej w Poznaniu
(Zaak C-372/10) (1)
(Fiscale bepalingen - Indirecte belastingen op bijeenbrengen van kapitaal - Kapitaalrecht geheven van kapitaalvennootschappen - Verplichting voor lidstaat om rekening te houden met richtlijnen die niet meer in werking waren op datum van toetreding van deze staat - Uitsluiting van heffingsgrondslag van eigen vermogensbestanddelen van kapitaalvennootschap die voor kapitaalsvermeerdering worden aangewend en reeds met kapitaalrecht werden belast)
2012/C 98/08
Procestaal: Pools
Verwijzende rechter
Naczelny Sąd Administracyjny
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Pak-Holdco Sp zoo
Verwerende partij: Dyrektor Izby Skarbowej w Poznaniu
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Naczelny Sąd Administracyjny — Uitlegging van artikel 5, lid 3, eerste streepje, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 69/335/EEG van de Raad van 17 juli 1969 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal (PB L 249, blz. 25), alsmede richtlijn 73/79/EEG van de Raad van 9 april 1973 (PB L 103, blz. 13) en richtlijn 73/80/EEG van de Raad van 9 april 1973 (PB L 103 van 18.4.1973, blz. 15) houdende wijziging van richtlijn 69/335/EEG — Recht geheven op inbreng in kapitaalvennootschappen — Verplichting van lidstaat om rekening te houden met richtlijnen die op datum van toetreding van deze staat niet meer in werking waren
Dictum
1)
In het geval van een staat, zoals de Republiek Polen, die met ingang van 1 mei 2004 is toegetreden tot de Europese Unie, moet artikel 7, lid 1, van richtlijn 69/335/EEG van de Raad van 17 juli 1969 betreffende de indirecte belasting op het bijeenbrengen van kapitaal, zoals gewijzigd bij richtlijn 85/303/EEG van de Raad van 10 juni 1985, bij gebreke van uitzonderingsbepalingen in de akte van toetreding van deze staat tot de Europese Unie of in een andere handeling van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat de daarin voorziene verplichte vrijstelling alleen geldt voor de verrichtingen die binnen de werkingssfeer van deze richtlijn, zoals gewijzigd, vallen en die op 1 juli 1984 in deze staat waren vrijgesteld van het kapitaalrecht of aan dit recht waren onderworpen tegen een verlaagd tarief van ten hoogste 0,50 %.
2)
Artikel 5, lid 3, eerste streepje, van richtlijn 69/335, volgens hetwelk „het bedrag van de aan de kapitaalvennootschap toebehorende vermogensbestanddelen die worden aangewend voor de vermeerdering van het vennootschappelijk kapitaal en reeds met het kapitaalrecht werden belast” niet in de heffingsgrondslag is begrepen, moet aldus worden uitgelegd dat het geldt ongeacht of het gaat om vermogensbestanddelen van de vennootschap waarvan het vennootschappelijk kapitaal is vermeerderd, dan wel om aan een andere vennootschap toebehorende vermogensbestanddelen waarmee dit kapitaal is vermeerderd.
(1) PB C 288 van 23.10.2010.
Full & Egal Universal Law Academy