11.2.2012
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 39/5
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 15 december 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesfinanzhof — Duitsland) — Hauptzollamt Hamburg-Hafen/Afasia Knits Deutschland GmbH
(Zaak C-409/10) (1)
(Gemeenschappelijke handelspolitiek - Preferentiële behandeling van invoer van producten van oorsprong uit staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan (ACS) - Onregelmatigheden die bij onderzoek van Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) in ACS-staat van uitvoer zijn ontdekt - Navordering van invoerrechten)
2012/C 39/07
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bundesfinanzhof
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Hauptzollamt Hamburg-Hafen
Verwerende partij: Afasia Knits Deutschland GmbH
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Bundesfinanzhof — Uitlegging van artikel 32 van Protocol nr. 1 betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en de methoden van administratieve samenwerking van de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 (PB L 317, blz. 3), alsook van artikel 220, lid 2, sub b, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1) — Uitvoer van in China vervaardigd textiel uit Jamaica naar de Europese Unie — Controle achteraf van het bewijs van oorsprong verricht door het OLAF en niet door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer zoals bepaald in genoemd Protocol nr. 1 — Bescherming van het gewettigd vertrouwen van de importeur
Dictum
1)
Artikel 32 van Protocol nr. 1 bij bijlage V van de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 en namens de Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2003/159/EG van de Raad van 19 december 2002, dient aldus te worden uitgelegd dat de resultaten van een controle achteraf betreffende de juistheid van de oorsprong van goederen die in door een ACS-staat afgegeven EUR.1-certificaten is aangegeven, welke controle in hoofdzaak bestond uit een onderzoek dat in deze ACS-staat door de Commissie — meer bepaald door het OLAF — op uitnodiging van die staat is verricht, de autoriteiten van de lidstaat waar de goederen zijn ingevoerd binden, mits deze autoriteiten — hetgeen de verwijzende rechter dient te beoordelen — een document hebben ontvangen waarin ondubbelzinnig wordt bevestigd dat die ACS-staat voornoemde resultaten overneemt.
2)
Artikel 220, lid 2, sub b, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2700/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2000, moet aldus worden uitgelegd dat in een situatie waarin de voor invoer van goederen in de Unie afgegeven EUR.1-certificaten ongeldig zijn verklaard wegens onregelmatigheden bij de afgifte van deze certificaten en omdat de op deze certificaten vermelde preferentiële behandeling bij een controle achteraf niet kon worden bevestigd, de importeur zich niet tegen navordering van de invoerrechten kan verzetten door aan te voeren dat niet kan worden uitgesloten dat sommige van deze goederen in werkelijkheid voornoemde preferentiële oorsprong hebben.
(1) PB C 274 van 9.10.2010.
Full & Egal Universal Law Academy