18.2.2012
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 49/10
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 21 december 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Conseil d’État — Frankrijk) — Ministre de l’Intérieur, de l’Outre-mer, des Collectivités territoriales et de l’Immigration/Chambre de commerce et d’industrie de l’Indre
(Zaak C-465/10) (1)
(Verzoek om prejudiciële beslissing - Bescherming van financiële belangen van Europese Unie - Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 - Artikel 3 - Fondsen met structurele strekking - Verordening (EEG) nr. 2052/88 - Verordening (EEG) nr. 4253/88 - Aanbestedende dienst die subsidie uit Structuurfondsen ontvangt - Schending van regels inzake plaatsen van overheidsopdrachten door ontvanger van EFRO-subsidie - Grondslag van verplichting tot terugvordering van subsidie van Europese Unie in geval van onregelmatigheden - Begrip „onregelmatigheid” - Begrip „voortdurende onregelmatigheid” - Wijze van terugvordering - Verjaringstermijn - Langere nationale verjaringstermijnen - Evenredigheidsbeginsel)
2012/C 49/15
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Conseil d’État
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Ministre de l’Intérieur, de l’Outre-mer, des Collectivités territoriales et de l’Immigration
Verwerende partij: Chambre de commerce et d’industrie de l’Indre
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Conseil d’État (Frankrijk) — Uitlegging van de bepalingen van verordening (EEG) nr. 2052/88 van de Raad van 24 juni 1988 betreffende de taken van de Fondsen met structurele strekking, hun doeltreffendheid alsmede de coördinatie van hun bijstandsverlening onderling en met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten (PB L 185, blz. 9), verordening (EEG) nr. 4253/88 van de Raad van 19 december 1988 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van verordening (EEG) nr. 2052/88 (PB L 374, blz. 1) en verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312, blz. 1) — Schending van de regels inzake het plaatsen van overheidsopdrachten door de ontvanger van de subsidies in het kader van het EFRO en het FNADT — Grondslag voor de verplichting tot terugvordering van communautaire steun in geval van onregelmatigheden — Wijze van terugvordering van ten onrechte verleende steun — Verjaringstermijn
Dictum
1)
In omstandigheden als die van het hoofdgeding vormt artikel 23, lid 1, derde streepje, van verordening (EEG) nr. 4253/88 van de Raad van 19 december 1988 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van verordening (EEG) nr. 2052/88 met betrekking tot de coördinatie van de bijstandsverlening uit de onderscheiden Structuurfondsen enerzijds en van die bijstandsverlening met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten anderzijds, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2082/93 van de Raad van 20 juli 1993, juncto artikel 7, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2052/88 van de Raad van 24 juni 1988 betreffende de taken van de fondsen met structurele strekking, hun doeltreffendheid alsmede de coördinatie van hun bijstandsverlening onderling en met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2081/93 van de Raad van 20 juli 1993, een rechtsgrondslag voor de terugvordering door de nationale autoriteiten bij de begunstigde van een volledige subsidie uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), zonder dat een bevoegdheidsattributie naar nationaal recht noodzakelijk is, op grond dat deze begunstigde, in zijn hoedanigheid van „aanbestedende dienst” in de zin van richtlijn 92/50/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening, zoals gewijzigd bij richtlijn 93/36/EEG van de Raad van 14 juni 1993, niet heeft voldaan aan de voorschriften van deze richtlijn inzake het plaatsen van een overheidsopdracht voor dienstverlening met betrekking tot de uitvoering van de actie waarvoor deze begunstigde deze subsidie had ontvangen.
2)
De schending door een aanbestedende dienst die een EFRO-subsidie ontvangt, van de regels inzake het plaatsen van overheidsopdrachten van richtlijn 92/50, zoals gewijzigd bij richtlijn 93/36, bij de gunning van de opdracht voor de uitvoering van de gesubsidieerde actie, vormt een „onregelmatigheid” in de zin van artikel 1 van verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, ook al kon de bevoegde nationale instantie bij de toekenning van deze subsidie niet onkundig zijn van het feit dat de begunstigde reeds had beslist aan welke dienstverlener hij de uitvoering van de gesubsidieerde actie zou opdragen.
3)
In omstandigheden als die van het hoofdgeding, waarin de begunstigde van een EFRO-subsidie, in zijn hoedanigheid van aanbestedende dienst, de regels inzake het plaatsen van overheidsopdrachten van richtlijn 92/50, zoals gewijzigd bij richtlijn 93/36, heeft geschonden bij de gunning van de opdracht voor de uitvoering van de gesubsidieerde actie:
—
moet de betrokken onregelmatigheid als een „voortdurende onregelmatigheid” in de zin van artikel 3, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 2988/95 worden beschouwd, en bijgevolg gaat de verjaringstermijn van vier jaar van deze bepaling voor de terugvordering van de ten onrechte aan deze begunstigde toegekende subsidie in op de dag waarop de uitvoering van de onwettig geplaatste overheidsopdracht is voltooid;
—
vormt de toezending van een controleverslag aan de begunstigde van de subsidie waarin de schending van de regels inzake het plaatsen van overheidsopdrachten wordt vastgesteld en de nationale instantie wordt aangespoord om dienovereenkomstig de uitgekeerde bedragen terug te vorderen, een voldoende nauwkeurige handeling tot onderzoek of vervolging van de „onregelmatigheid” in de zin van artikel 3, lid 1, derde alinea, van verordening nr. 2988/95.
4)
Het evenredigheidsbeginsel staat eraan in de weg dat de lidstaten, wanneer zij gebruikmaken van de hun bij artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2988/95 geboden mogelijkheid, een verjaringstermijn van dertig jaar toepassen op de terugvordering van een onterecht uit de Uniebegroting verkregen voordeel.
(1) PB C 346 van 18.12.2010.
Full & Egal Universal Law Academy