19.2.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 55/17
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 22 december 2010 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Court of Appeal (England & Wales) (Civil Division) — Verenigd Koninkrijk) — Barbara Mercredi/Richard Chaffe
(Zaak C-497/10 PPU) (1)
(Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken - Verordening (EG) nr. 2201/2003 - Huwelijkszaken en ouderlijke verantwoordelijkheid - Kind van niet gehuwde ouders - Begrip „gewone verblijfplaats” van zuigeling - Begrip „gezagsrecht”)
2011/C 55/30
Procestaal: Engels
Verwijzende rechter
Court of Appeal (England & Wales) (Civil Division)
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Barbara Mercredi
Verwerende partij: Richard Chaffe
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Court of Appeal (England & Wales) (Civil Division) — Uitlegging van de artikelen 8 en 10 van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB L 338, blz. 1) — Begrip gewone verblijfplaats — Kind dat in het Verenigd Koninkrijk is geboren uit een Britse vader en een Franse moeder die niet met elkaar waren gehuwd en dat de nationaliteit van de moeder heeft — Kind door de moeder overgebracht naar Réunion — Overbrenging rechtmatig op tijdstip waarop zij plaatsvond omdat op dat tijdstip alleen de moeder ouderlijke verantwoordelijkheid voor het kind had — Later door de vader bij de Britse rechterlijke instanties ingestelde vorderingen strekkende tot toekenning van ouderlijke verantwoordelijke, gezamenlijke woonplaats en omgangsrecht — Beschikking van de High Court waarbij terugkeer van het kind naar het Verenigd Koninkrijk wordt gelast — Beschikking waartegen de moeder opkomt met het argument dat het kind op het tijdstip van de aanhangigmaking van de zaak zijn gewone verblijfplaats niet meer in het Verenigd Koninkrijk had
Dictum
1)
Het begrip „gewone verblijfplaats” in de zin van de artikelen 8 en 10 van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000, moet aldus worden uitgelegd dat het de plaats is die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. In de situatie van een zuigeling die met zijn moeder sinds slechts enkele dagen verblijft in een andere lidstaat dan die van zijn gewone verblijfplaats, waarnaar hij is overgebracht, moet daarbij met name rekening worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op het grondgebied van die lidstaat en van de verhuizing van de moeder naar die staat, en, met name wegens de leeftijd van het kind, met de geografische en familiale wortels van de moeder en de familiale en sociale banden die zij en het kind in die lidstaat hebben. Het staat aan de nationale rechter om de gewone verblijfplaats van het kind te bepalen, rekening houdend met alle feitelijke omstandigheden die eigen zijn aan elke zaak.
Indien de toepassing van de hiervoor genoemde criteria in het hoofdgeding tot de conclusie leidt dat de gewone verblijfplaats van het kind niet kan worden vastgesteld, moet het bevoegde gerecht worden bepaald op grond van het criterium van de plaats waar het kind zich bevindt in de zin van artikel 13 van de verordening.
2)
Beslissingen van een gerecht van een lidstaat waarbij op grond van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 25 oktober 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen een verzoek om onmiddellijke terugkeer van een kind in het rechtsgebied van een gerecht van een andere lidstaat wordt verworpen, en die betrekking hebben op de ouderlijke verantwoordelijkheid voor dat kind, zijn niet van invloed op de beslissingen die in die andere lidstaat moeten worden genomen met betrekking tot vorderingen inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid die eerder zijn ingesteld en aldaar nog aanhangig zijn.
(1) PB C 328 van 4.12.2010.
Full & Egal Universal Law Academy