16.6.2012
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 174/8
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 26 april 2012 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Østre Landsret — Denemarken) — DR, TV2 Danmark A/S/NCB — Nordisk Copyright Bureau
(Zaak C-510/10) (1)
(Harmonisatie van wetgevingen - Auteursrecht en naburige rechten - Richtlijn 2001/29/EG - Artikel 5, lid 2, sub d - Recht van mededeling van werken aan publiek - Uitzondering op reproductierecht - Tijdelijke opnamen van werken, gemaakt door omroeporganisaties met hun eigen middelen ten behoeve van hun eigen uitzendingen - Opname gemaakt met middelen van derde - Verplichting voor omroeporganisatie om elk nadelig gevolg van handelen en nalaten van derde op te heffen)
2012/C 174/10
Procestaal: Deens
Verwijzende rechter
Østre Landsret
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: DR, TV2 Danmark A/S
Verwerende partij: NCB — Nordisk Copyright Bureau
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Østre Landsret — Uitlegging van artikel 5, lid 2, sub d, van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB L 167, blz. 10) — Voorwaarden voor uitzondering op het reproductierecht — Tijdelijke opnamen van werken, gemaakt door omroeporganisaties met hun eigen middelen ten behoeve van hun eigen uitzendingen — Omroeporganisatie die externe en onafhankelijke televisieproducenten heeft gevraagd om opnamen te maken voor uitzending door haarzelf
Dictum
1)
De uitdrukking „met hun eigen middelen” in artikel 5, lid 2, sub d, van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij moet autonoom en uniform worden uitgelegd in het kader van het Unierecht.
2)
Artikel 5, lid 2, sub d, van richtlijn 2001/29, gelezen tegen de achtergrond van punt 41 van de considerans ervan, moet aldus worden uitgelegd dat de eigen middelen van een omroeporganisatie ook de middelen omvatten van elke derde die optreedt namens of onder de verantwoordelijkheid van deze omroeporganisatie.
3)
Om vast te stellen of een opname die een omroeporganisatie ten behoeve van haar eigen uitzendingen met de middelen van een derde heeft gemaakt, als tijdelijke opname onder de uitzondering van artikel 5, lid 2, sub d, van richtlijn 2001/29 valt, dient de verwijzende rechter te beoordelen of in de omstandigheden van het hoofdgeding deze derde kan worden geacht concreet op te treden „namens” de omroeporganisatie of minstens „onder de verantwoordelijkheid” van die organisatie. Wat dit laatste aspect betreft, is het van fundamenteel belang dat de omroeporganisatie ten aanzien van met name de auteurs die kunnen worden geschaad door een onrechtmatige opname van hun werk, verplicht is tot opheffing van alle nadelige gevolgen van het handelen en nalaten van de derde, zoals een externe en juridisch onafhankelijke televisieproducent, met betrekking tot die opname alsof het handelen en nalaten van de omroeporganisatie zelf betrof.
(1) PB C 346 van 18.12.2010.
Full & Egal Universal Law Academy