29.9.2012
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 295/3
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 19 juli 2012 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Sozialgericht Würzburg — Duitsland) — Doris Reichel-Albert/Deutsche Rentenversicherung Nordbayern
(Zaak C-522/10) (1)
(Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Verordening (EG) nr. 987/2009 - Artikel 44, lid 2 - Beoordeling van recht op ouderdomspensioen - Inaanmerkingneming van tijdvakken van kinderopvoeding vervuld in een andere lidstaat - Toepasselijkheid - Artikel 21 VWEU - Vrij verkeer van burgers)
2012/C 295/05
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Sozialgericht Würzburg
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Doris Reichel-Albert
Verwerende partij: Deutsche Rentenversicherung Nordbayern
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Sozialgericht Würzburg — Uitlegging van artikel 44, lid 2, van verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 284, blz. 1) — Voorwaarden voor inaanmerkingneming van in een andere lidstaat vervulde tijdvakken van opvoeding van kinderen bij het onderzoek van het recht op ouderdomspensioen — Nationale regeling volgens welke dergelijke tijdvakken in aanmerking worden genomen op voorwaarde dat de betrokkene tijdens de opvoeding of onmiddellijk voor de geboorte van het kind in loondienst of als zelfstandige tijdvakken van verplichte bijdragebetaling heeft vervuld en die tot gevolg kan hebben dat een tijdvak van kinderopvoeding noch in de lidstaat van verblijf tijdens de opvoeding van het kind, noch in de bevoegde lidstaat in aanmerking wordt genomen
Dictum
In een situatie zoals aan de orde in het hoofdgeding moet artikel 21 VWEU aldus worden uitgelegd, dat het de bevoegde autoriteit van een eerste lidstaat verplicht om voor de toekenning van een ouderdomspensioen de in een tweede lidstaat vervulde kinderopvoedingstijdvakken in aanmerking te nemen alsof deze tijdvakken op zijn nationale grondgebied waren vervuld door een persoon die alleen in de eerste lidstaat beroepsactiviteiten heeft verricht en die op het ogenblik van de geboorte van zijn kinderen tijdelijk is gestopt met werken en wegens strikt familiale redenen zijn woonplaats naar het grondgebied van de tweede lidstaat heeft overgebracht.
(1) PB C 30 van 29.01.2011.
Full & Egal Universal Law Academy