22.9.2012
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 287/5
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 5 juli 2012 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal de grande instance de Chartres — Frankrijk) — Michel Bourges-Maunoury, Marie-Louise Heintz, echtgenote Bourges-Maunoury/Direction des services fiscaux d’Eure-et-Loir
(Zaak C-558/10) (1)
(Voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen - Vrijstelling van nationale belastingen op door Unie betaalde inkomsten - Inaanmerkingneming van door Unie betaalde inkomsten bij berekening van bovengrens van solidariteitsbelasting op vermogen)
2012/C 287/07
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Tribunal de grande instance de Chartres
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Michel Bourges-Maunoury, Marie-Louise Heintz, echtgenote Bourges-Maunoury
Verwerende partij: Direction des services fiscaux d’Eure-et-Loir
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Tribunal de grande instance de Chartres — Uitlegging van artikel 13, tweede alinea, in hoofdstuk V van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen (PB 1967, 152, blz. 13) — Toelaatbaarheid van nationale wettelijke regeling die bepaalt dat alle inkomsten van een belastingplichtige, inkomsten van de Gemeenschappen daaronder begrepen, in aanmerking moeten worden genomen bij de berekening van de bovengrens van de vermogensbelasting — Vrijstelling van nationale belastingen op de door de Gemeenschappen betaalde salarissen — Voormalige ambtenaren van de Europese Gemeenschappen
Dictum
Artikel 13, tweede alinea, van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, dat aanvankelijk als bijlage aan het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben, en vervolgens, krachtens het Verdrag van Amsterdam, aan het EG Verdrag was gehecht, moet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die de inkomsten, daaronder begrepen pensioenen en vergoedingen wegens definitieve beëindiging van de dienst, die de Unie aan haar ambtenaren en personeelsleden of aan haar voormalige ambtenaren en personeelsleden betaalt, in aanmerking neemt voor het bepalen van de bovengrens van een belasting als de solidariteitsbelasting op het vermogen.
(1) PB C 46 van 12.2.2011.
Full & Egal Universal Law Academy