31.3.2012
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 98/8
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 16 februari 2012 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden) — T.G. van Laarhoven/Staatssecretaris van Financiën
(Zaak C-594/10) (1)
(Zesde btw-richtlijn - Recht op aftrek van voorbelasting - Beperking - Gebruik van voor onderneming bestemd roerend goed voor privédoeleinden van belastingplichtige - Fiscale behandeling van privégebruik van goed dat tot ondernemingsvermogen behoort)
2012/C 98/10
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Hoge Raad der Nederlanden
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: T. G. van Laarhoven
Verwerende partij: Staatssecretaris van Financiën
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Hoge Raad der Nederlanden — Uitlegging van artikel 17, lid 6, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1) — Aftrek van voorbelasting — Uitsluiting van recht op aftrek — Nationale regeling die de belastingaftrek voor door een ondernemer gebruikte voertuigen voor zowel zakelijk als privégebruik beperkt
Dictum
Artikel 6, lid 2, eerste alinea, sub a, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, zoals gewijzigd bij richtlijn 95/7/EG van de Raad van 10 april 1995, gelezen in samenhang met artikel 11, A, lid 1, sub c, van diezelfde richtlijn, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale belastingregeling krachtens welke een belastingplichtige wiens auto’s zowel voor bedrijfs- als voor privédoeleinden worden gebruikt, eerst de voorbelasting onmiddellijk en volledig in aftrek mag brengen, maar die vervolgens ter zake van het privégebruik van deze auto’s voorziet in een jaarlijkse belasting die, voor de bepaling van de maatstaf van heffing voor de belasting over de toegevoegde waarde in een bepaald aanslagjaar, gebaseerd is op een forfaitaire berekeningsmethode voor de met een dergelijk gebruik samenhangende uitgaven die niet op proportionele wijze rekening houdt met de daadwerkelijke omvang van dat gebruik.
(1) PB C 80 van 12.3.2011.
Full & Egal Universal Law Academy