29.1.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 30/12
Beschikking van het Hof (Achtste kamer) van 16 november 2010 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Krajský súd v Prešove — Slowaakse Republiek) — Pohotovost’ s.r.o./Iveta Korčkovská
(Zaak C-76/10) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Bescherming van consument - Richtlijn 93/13/EEG - Oneerlijke bedingen - Richtlijn 2008/48/EG - Richtlijn 87/102 - Consumentenkredietovereenkomsten - Jaarlijks kostenpercentage - Arbitrageprocedure - Arbitraal vonnis - Bevoegdheid van nationale rechter om eventueel oneerlijk karakter van bepaalde bedingen ambtshalve te beoordelen)
2011/C 30/18
Procestaal: Slowaaks
Verwijzende rechter
Krajský súd v Prešove
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Pohotovost’ s.r.o.
Verwerende partij: Iveta Korčkovská
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Krajský súd v Prešove — Uitlegging van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB L 95, blz. 29) en richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 betreffende consumentenkredietovereenkomsten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB L 133, blz. 66) — Consumentenkredietovereenkomst die voorziet in een woekerrente en de beslechting van geschillen door middel van een arbitrageprocedure — Mogelijkheid voor de verwijzende rechter, die beslist in een procedure strekkende tot tenuitvoerlegging van een in kracht van gewijsde gegaan arbitraal vonnis, om ambtshalve te beoordelen of die bedingen een oneerlijk karakter hebben
Dictum
1)
Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, legt een nationale rechter die beslist over een verzoek om gedwongen tenuitvoerlegging van een in afwezigheid van de consument gewezen arbitraal vonnis met kracht van gewijsde, de verplichting op om ambtshalve na te gaan of de sanctie waarin een kredietovereenkomst tussen een kredietverstrekker en een consument voorziet en die in dat vonnis is toegepast, oneerlijk is, wanneer hij over de daartoe noodzakelijke informatie betreffende de situatie rechtens en feitelijk beschikt en hij volgens zijn nationale procesrecht een dergelijke beoordeling in het kader van vergelijkbare op het nationale recht gebaseerde procedures mag verrichten.
2)
Het staat aan de betrokken nationale rechter, uit te maken of een beding in een kredietovereenkomst als het in het hoofdgeding aan de orde zijnde, waarbij volgens de vaststellingen van die rechter een sanctie van een onevenredig hoog bedrag aan de consument wordt opgelegd, in het licht van alle omstandigheden rond de sluiting van die overeenkomst als oneerlijk in de zin van de artikelen 3 en 4 van richtlijn 93/13 moet worden aangemerkt. Zo dat het geval is, moet die rechter alle volgens het nationale recht daaruit voortvloeiende consequenties trekken, teneinde zich ervan te vergewissen dat de consument door dat beding niet is gebonden.
3)
In omstandigheden als die in het hoofdgeding kan het ontbreken van het jaarlijkse kostenpercentage in een consumentenkredietovereenkomst, waarvan de vermelding van essentieel belang is in het kader van richtlijn 87/102/EEG van de Raad van 22 december 1986 betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake het consumentenkrediet, zoals gewijzigd bij richtlijn 98/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998, een beslissende factor zijn in het onderzoek door een nationale rechter van de vraag of een in een consumentenkredietovereenkomst opgenomen beding dat betrekking heeft op de kosten van dat krediet, maar waarin een dergelijke vermelding ontbreekt, duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd in de zin van artikel 4 van richtlijn 93/13. Zo dat niet het geval is, mag die rechter ambtshalve beoordelen of, gelet op alle omstandigheden rond de sluiting van die overeenkomst, het ontbreken van de vermelding van het jaarlijkse kostenpercentage in het beding van die overeenkomst dat betrekking heeft op de kosten van dat krediet, aan dat beding een oneerlijk karakter kan verlenen in de zin van de artikelen 3 en 4 van richtlijn 93/13. Niettegenstaande de mogelijkheid om voornoemde overeenkomst aan richtlijn 93/13 te toetsen, moet richtlijn 87/102 evenwel aldus worden uitgelegd dat zij de nationale rechter in staat stelt om de bepalingen tot omzetting in nationaal recht van artikel 4 van laatstgenoemde richtlijn, volgens dewelke het ontbreken van de vermelding van het jaarlijkse kostenpercentage in een consumentenkredietovereenkomst ertoe leidt dat het verstrekte krediet rente- en kostenvrij wordt geacht, ambtshalve toe te passen.
(1) PB C 134 van 22.05.2010.
Full & Egal Universal Law Academy